Op 3 juni 2026 verloor de literaire wereld voormalig Dichter des Vaderlands en Constantijn Huygens-laureaat Lieke Marsman, die lezers vanaf haar debuut wist te raken. Met de dood op de hielen spoorde ze zichzelf en de wereld om haar heen aan alles uit het leven te halen en verantwoordelijkheid op te nemen voor de plek die je in de wereld inneemt.
-Tom-Corn.jpg)
Van sommige auteurs ligt, hoe cru ook, het in memoriam al een tijdje klaar. Veel van die schrijvers zijn de tachtig inmiddels al gepasseerd of lijden aan een ongeneeslijke ziekte. Hoewel Lieke Marsman onmiskenbaar binnen die laatste categorie viel, voelde haar dood ergens nog altijd omzeilbaar. Schrijvers kunnen tenslotte ieder verhaal naar hun hand zetten, waarom het narratief van hun eigen leven dan niet?
Want schrijven over haar ziekte, de zeldzame vorm van kraakbeenkanker die in het voorjaar van 2018 bij haar werd geconstateerd, deed ze volop. Datzelfde jaar nog publiceerde Marsman De volgende scan duurt vijf minuten, een mengvorm van poëzie en essayistiek, waarin ze onderzocht hoe een ziek lichaam zich verhoudt tot een zieke wereld. Het is een blik naar binnen én naar buiten: een vurig pleidooi om je eigen maatschappelijke verantwoordelijkheid te nemen in een wereld die zo luid om hulp schreeuwt.
Beide thema’s zou ze de jaren daarna blijven aanhalen. In de poëziebundel In mijn mand (2022) stond ze stil bij de plek van de dood in een mensenleven. De gedichten boden een inkijk in het leven met een allesoverheersende ziekte, en hoe dat je blik op de wereld en wat daarbinnen van waarde is onherroepelijk verandert. Opnieuw pleitte ze ervoor je in zo’n situatie niet terug te trekken, maar je juist te laten gelden en die wereld een spiegel voor te houden.

In 2025 bracht ze haar meest intieme gedachtes over de dood naar buiten in de vorm van Op een andere planeet kunnen ze me redden. Samenleven met de dood had haar wereldbeeld doen kantelen, liet Marsman weten: haar areligieuze opvoeding ten spijt raakte ze geïnteresseerd in God en het hiernamaals, maar ook in kwantummechanica en buitenaards leven. Als je niets meer te verliezen hebt, kun je maar beter geloven in alles wat je nog enige hoop geeft, was haar gedachte.
De zwaarte van die thema’s zou bijna het onmiskenbare talent overschaduwen waarmee Marsman in 2010 de letteren binnenstormde. Haar debuutbundel Wat ik mezelf graag voorhoud leverde haar de C. Buddingh’-prijs, de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs en de Liegend Konijn Debuutprijs op. In deze bundel is voor de piepjonge dichter nog ruimte om te dromen: 'Nog maar half / zo oud als op de dag waarop ik dingen ga weten', noemt ze zichzelf, zich verwonderend over de wereld om haar heen. Toch is hier al het engagement niet ver weg: ze maakt zich al wel degelijk zorgen om de aarde. Nog even trekt ze zich terug in haar eigen binnenwereld, vol illusies die ze binnenkort ongetwijfeld zal kwijtraken.
Minstens net zo enthousiast was de ontvangst van haar tweede bundel De eerste letter (2014), die wordt gekenmerkt door dezelfde associatieve, overpeinzende stijl. Bij herlezing is het schrikken wanneer zo vroeg in haar oeuvre de dood al om de hoek komt kijken. Zo dicht ze over haar angst ‘dat ik in deze dromen zelf gestorven ben, aan het begin, noch voordat het verhaal begonnen is.’ Je zou het allemaal kunnen lezen als vooruitwijzingen die alle andere betekenissen in haar poëzie overschaduwen, maar daarmee doe je de kwaliteit van haar werk onmiskenbaar tekort.
In verscheen 2017 Man met hoed, waarin haar eerste twee bundels werden samengebracht, aangevuld met enkele gedichten uit de jaren 2005-2008 en vertalingen van Marsmans hand, van poëzie van Wendy Wilder Larsen, Adam Clay en Katie Ford. In deze gedichten is angst een terugkerend thema. Zo dicht Ford: ‘Dit is hoe het is met wie angst heeft. Wat niet zal gebeuren / gebeurt de hele tijd.’
In datzelfde jaar debuteerde Marsman als romanauteur met Het tegenovergestelde van een mens (2017), dat tegelijkertijd veel poëzie en essayistiek bevat. Aan het woord is de 19-jarige klimaatwetenschapper Ida, die met grote angst naar de toestand van de wereld kijkt. In filosofische bespiegelingen zoekt ze naar manieren om zichzelf en de mens een plek te geven in de klimaatcatastrofe waarop de aarde afstevent.

Zo lijkt schrijven voor Marsman altijd al een manier geweest te zijn om om te gaan met de verwarrende en soms zelfs uiterst deprimerende werkelijkheid. Op de achterflap van De volgende scan duurt vijf minuten staat de volgende toelichting: ‘De kortstondigheid van mijn behandeltraject heeft ervoor gezorgd dat ik sinds mijn operatie het gevoel heb met lege handen te staan en ik heb het schrijven van dit boekje nodig om de tijd kloppend te maken, mijn ziekteproces wat uit te rekken. Maar ik heb geen idee wat ik moet doen als ik dit boekje inlever. Hoe moet ik mijn leven weer oppakken?’
Tegelijkertijd kon het nadenken over andere zaken, zoals het politieke klimaat, haar juist afleiden van haar eigen ziekte: Marsman had ‘over politiek schrijven nodig om niet volledig door de kanker opgeslokt te worden’, schreef ze in dezelfde publicatie. Ze moest zich overgeven aan de behandeling, terwijl ze maar één ding wilde: ‘steeds opnieuw, opnieuw / Een nieuwe dag’.

Die wens zou in haar oeuvre blijven terugkeren. Zo lezen we aan het einde van het titelgedicht van In mijn mand:
Is het mijn sterfdag?
De lucht is stil, als lucht
op een kalender
Is het mijn sterfdag?
Vergeet klokken die luiden
De lucht is stil, als lucht
Is het mijn sterfdag?
Vergeet engelen en psalmen
Ik wil het vanille van een oud boek
Ik wil een koud flesje bier
en ik wil jou, nog één keer
Vergeet vogels die zingen
Ik wil mijn hond horen drinken
Wie de naderende dood al zo uitvoerig omschreven heeft, hoeft ‘m niet ook nog eens aan den lijve te ondervinden, zou je kunnen hopen. Toch overleed Lieke Marsman op 3 juni op 35-jarige leeftijd, enkele dagen voor de verschijning van haar nieuwste boek, De dichter en de duivel, waarin een dichter een huis koopt en ontdekt dat haar berging toegang biedt tot een ondergrondse wereld waar mensen in ruil voor kleine stukjes ziel hun zonden afkopen. Het roept nog heel even het gevoel op dat ze zal blijven doorleven, in de taal die ze voor de schoonheid van het bestaan vond.