Dit artikel is gratis.

‘Ik ben’, zei Maris Bayar mij eens, op een moment waarop nochtans een romantische toets niet ongepast zou zijn geweest, ‘niet romantisch’. Inderdaad, dichteres Maris Bayar, geboren in Antwerpen (Berchem) op 15 juni 1937 en daar overleden op 7 mei 2025, was een nuchtere zakenvrouw. En een autodidacte met een passie voor poëzie.

Maris Bayar (c) Axel De Meester
Maris Bayar (c) Axel De Meester

Een zakenvrouw die met pikante charme spullen onder de prijs wist te verwerven en ze boven de prijs verkocht. Die spullen waren vooral waardevolle Jugendstil-artefacten. Ze leerde, schrijft zij in Verzamelwoede (1984), als brocanteur duizenden merken en stempels uit het hoofd; zij moest ‘Koffers voor rommelbeurzen inpakken / deuren afsluiten, monden / verzegelen, // het volle overrijpe gedicht des / levens beleven / zodoende weten / wat er te koop is.’

Bayar hield van decor en van decorum en ontving in haar woonst samen met haar echtgenoot Tony Rombouts graag de Antwerpse elite. In de jaren zeventig waren dat de Pink Poets Patrick Conrad, Nic van Bruggen, Werner Spillemaeckers, Hugues C. Pernath, Michel Bartosik, Henri-Floris Jespers, Paul de Vree, Paul Snoek en Brugse bentgenoten.

Contramine, de uitgeverij die Tony Rombouts met haar in 1973 oprichtte, publiceerde datzelfde jaar haar bundel De heerlijkheid omhelzen; eerder publiceerde zij twee cycli in het tijdschrift Stuip, ‘Ik laat mijn hoeventjes dansen’ (1965) en ‘Zachte bodem’ (1968), en de bundel De deur die gesloten bleef (1967) in de ‘Lepelreeks’ van Adriaan Peel.

Ik laat mijn hoeventjes dansen telt vijf korte gedichten waarin neologismen opgestapeld zijn. Het openingsvers luidt: ‘ik laat mijn hoeventjes dansen / en geef een prik onder je zirper / ik neem je zender / tik achtmaal tegen je perelaar / het pereltje is vol van de fezel / zimmer door opwinding’.

Jespers, die Bayars weldoende mentor was, zag in haar een sibille maar schreef ook dat ze geen fantasie had. Wie geen fantasie heeft is als schrijver aangewezen op het naakte bestaan en wordt dus autobiograaf. Bayar staat in haar poëzie sans gêne centraal.

In een gedicht uit de bij de feministische Uitgeverij An Dekker verschenen bundel Een ijzeren hand in een fluwelen handschoen (1988) – een meer dan veelzeggende titel – wordt van de positie van de vrouw als dichter en echtgenote een pijnlijk beeld getoond: ‘Gruwde ze: / Dat je als vrouw in Vlaanderen / Voor de Poëzie / Duur zult moeten betalen. // Want het huwelijk / Is niet als hete rijst / Die je de mond uitspuwt / Wanneer hij brandt. / De liefdepijn passeert niet / Als een stoet. / Maar gaat voorbij / Zoals een stoet.’

Bayar compenseerde het fatalisme van haar vrouw-zijn wel met de grandeur van haar dichterschap.

Grote dichters willen wel eens een decennium onderduiken. Zo ook Bayar. Pas tien jaar na Een ijzeren hand in een fluwelen handschoen verscheen Fleur de Flandre, een omvangrijke bundel in vijf delen. De ondertitel Memoires in Dichtmaat laat geen twijfel bestaan over het autobiografisch karakter van de tekst; la Fleur de Flandre, de ‘perziekrijpe’ zoals ze zichzelf met enig smaakgevoel noemt, is Maris zelf. Ze zag zichzelf ook als ‘donkergelokte Antwerpse Prinses / uit Sprookjes over de Schelde’ die al vroeg ‘wist dat ze eens // schrijfster zou worden. / Berucht zou zijn als schrijfster.’

Haar geloof in lotsbeschikking is uitgedrukt in het motto dat aan de verzamelbundel Als Maris Dante zoent (Uitgeverij Lepel, Antwerpen, 1975) voorafgaat: ‘Alles is voorbestemd, / Zelfs het onvoorstelbare.’

Elegie

voor Maris Bayar

Ooit was je getooid, Maris,
groen getooid
als een dochter uit Elysium
in de rode morgen
dochter van je tijd

je wist de dood nabij
altijd nabij altijd nader
je leefde in een tussentijd

je bent nu
met je grijze pijn
daar waar de sprakelozen zijn

je bent bij je bondgenoten
maar je hart is te ruim
voor vergankelijkheid

en je naam, muze, ligt
in het gouden boek.

Renaat Ramon