Dit artikel is gratis.

En ‘zo loop je weg uit je eigen verhaal’. Twee jaar nadat haar de Sybren Poletprijs 2024 werd toegekend, de belangrijkste oeuvreprijs voor experimentele literatuur, overleed de Nederlandse auteur Lidy van Marissing, op 15 oktober 2026. De dood is genadeloos, zelfs voor een auteur wier oeuvre zich zo onvermoeibaar verzet tegen de stilstand.

Zelfportret Lidy van Marissing (c) Collectie Literatuurmuseum Den Haag
Zelfportret Lidy van Marissing (c) Collectie Literatuurmuseum Den Haag

De reeks 'Zelfportretten' was een initiatief van het literair tijdschrift De Revisor. Meer info op de website van het Literatuurmuseum.

Het is dan ook opvallend moeilijk haar werk te categoriseren: Van Marissing (1942), was dichter, redacteur, journalist, scenarist en prozaïst, maar leek lak te hebben aan genres. Haar poëzie besmet haar proza, en vice versa, haar dichtwerk lijkt wel theater. In haar schrijven maakte ze inderdaad veelvuldig gebruik van Brechtiaanse vervreemdingstechnieken, een manier om haar lezers te activeren. In de jaren zeventig was ze redacteur van het tijdschrift Raster, een nest voor ‘afwijkende’ literatuur. Met Ontbinding, de eerste van negen romans, had ook Van Marissing zichzelf op de kaart gezet als geëngageerd, ‘experimenteel’ auteur. Ze mocht dan wel lak hebben aan deze categorisering, nooit week ze af van haar speelse, gedurfde en geheel eigenzinnige werk; buitengewone teksten schreef ze, zoals Twee vrouwen die één keel opzetten (1998) en Duizend spiegels (1993). Ze laat een oeuvre na dat de laatste jaren herontdekt is, ook door mij, en opvallend inspirerend lijkt te werken. Ja, Van Marissing geeft het vuur door aan een nieuwe lichting schrijvers. Er is sprake van een ware revival dus, één die ze nog net op tijd mocht meemaken – met de Sybren Poletprijs als terechte, afzwaaiende bekroning.

Zelf ken en bewonder ik Van Marissing vooral als dichter. Ze publiceerde bij leven zeven dichtbundels, die werden genomineerd voor prestigieuze prijzen zoals de VSB-poëzieprijs (Zoek de lege gebieden, 2008) en de Herman de Coninckprijs (de verwerping van het stilzitten, 2025). Het zijn dichtbundels vol van een zoekende ‘taal die half spreekt, half zwijgt, heen / en weer schommelend daartussen’. Deze lyrische levendigheid, zelfs daar waar men verstarring vermoedt, klinkt al uit de titels van haar werk. Denk maar aan De plons van een vlok (1990), De sprong van een slak (1993) of Kamer waarin lichtvlek (2003). Treffende titels voor een poëzie die de glibberige kantelmomenten van het leven weet te vangen: knipper met je ogen en het is weg. Van Marissing keek, tot mijn en veler geluk, nooit weg.  

Het is immens dankbaar te mogen schrijven over de poëzie van een dichter die zoveel woorden aanreikt om het over woorden te hebben, en het is moeilijk haar niet eindeloos te willen citeren, haar regels in de mond te nemen. Van Marissing herinnert mij er dan ook steeds aan dat de taal wordt voortgebracht door het lichaam, dat de stem door een keel jaagt en dat onze lijven spreken, zelfs wanneer deze zich in stilte hullen: ‘draden / hangen zich hoorbaar / tussen het ene zwijgen en het / andere.’ Haar werk, met haar typerend wisselende tempo’s en stamelende nervositeit, is opvallend ‘gaande’, alsof je inbreekt tijdens een lopend gesprek: direct uitnodigend, vertakkend, ‘in elkaar verknopend tot en met’, en dus vol van leven.

Er is daarnaast iets opvallend tactiels en lijfelijks aan Van Marissings poëzie: ‘deze taal een spinrokken / door onzichtbare hand bijna geluidloos af- / gesponnen’, schrijft ze zelf. Deze lichamelijke materialiteit heeft ook te maken met haar beeldend gebruik van interpunctie: de verbeten komma’s, ademloze gedachtestreepjes en ongeduldige enjambementen ‘messcherp ingesneden,’ de verzen gestikt met haakjes, schichtige dashes en jachtige aanhalingstekens. Wie haar bundels openslaat, ziet dit meteen. Alles knippert en zwiept, alles krioelt en beweegt, alles spreekt.

zij zei ‘ik ben
zo gebarsten’
‘als een eeuwenoude
kruik’ zei zij, de tachtig zo 
juist gepasseerd

en ja, de inhoud lekte
weg door haar -
scheurtjes en scheurtjes

dat witte
hoofd van haar liep
stiekem leeg, haar leven (sijpel-
druppels) even- 
zeer  

Hoe eigenzinnig Van Marissings stem ook is: wie op zoek is naar persoonlijke zielenroerselen, komt bedrogen uit.  Dit is dichtbevolkte, meerstemmige poëzie:  personages zoeken elkaar op, perspectieven buitelen over elkaar heen, aangedreven woorden jagen elkaar aan: ‘de ene lettergreep na de andere / haakt zich vast, duwt of trekt een heel woord / voort, zuigt een regel aan’. Van Marissing geeft geen antwoorden, maar laat het de lezer vrij deze mee te zoeken.  

Het verklaart misschien ook waarom haar werk zo’n invloed heeft op een jongere generatie dichters. Er is daarnaast natuurlijk ontegensprekelijk iets aan haar, welja, vibrerende poëzie – die gejaagdheid van beeld en stem, de flikkerende montage van haar verzen – die zich moeiteloos in ons versplinterde tijdsgewricht voegt. Haar dichtwerk is inderdaad meerlagig en gelijktijdig, gehaast, ‘weggesprongen, losgezongen’. En ja, dit is toepasselijk voor de versnipperde, gedigitaliseerde tijden waarin we leven. Maar vooral is Van Marissings poëzie ‘fluisterend van kontakt’. Ze herinnert er ons aan dat we niet op ons eentje bestaan, lezen en schrijven, maar dat we ons voortbewegen in een immer bewegende, dansende constellatie van mensen: ‘het landschap een netwerk van / grillige krassen en krasjes, ontelbaar, zwart/wit / waarin wij; gedijen in licht’.  

Vele kelen zingen hier; als vanzelf zing je mee. Immers, ‘dit vlas verlangt naar / draad, te worden opgewonden’. Dit sociale karakter van Van Marissings gedichten lijkt passend bij het werk van een auteur die zich zo hard verzette tegen een passief lezerschap, tegen onverschilligheid: ‘wie het laatste woord wil hebben doet het / licht uit, de laatste regel / doet de deur dicht’. Het werk van Van Marissing onsterfelijk noemen, uiteindelijk toch een starre term, lijkt dan ook tegen de borst van dit gulle werk te stoten: het geeft leven – dat wel. Daar leek ze zich zelf van bewust, dat taal dient te worden doorgegeven: 'Wanneer de een ophoudt begint / de ander, kan / de ander eindelijk beginnen.’

De laatste regel is, inderdaad, niet geschreven.  

trekt de verteller aan een draad
om er een touw aan vast te knopen
begint het hele weefsel te schommelen

de beweging van een handschrift
de vlechtrichting van een stuk textiel  
de dans van rivierstroom
niet te vergelijken of te verwarren met
het hinkelen van een gesprek
het stuiteren van een ruzie
het afbreken van vertakkende gedachten

‘uren zaten wij daar, knieën opgetrokken, armen
eromheen, en luisterden en luisterden
kregen er werelddelen bij’

de kleur van een mededeling
verspreidt zich over omgeving, verkleurt meteen  
alle dingen tot en met
de muren