Woorden, gesproken en geschreven, zijn bij uitstek de manier om de anderen dicht tegen ons aan te houden.
Laat
Vertraag.
Vertraag.
Vertraag je stap.
Stap trager dan je hartslag vraagt.
Verlangzaam.
Verlangzaam.
Verlangzaam je verlangen
En verdwijn met mate.
Neem niet je tijd
En laat de tijd je nemen -
Laat.
Het afsluitende gedicht van de cyclus ‘Zelfportretten en dagboekgedichten’, het laatste gedicht in de bundel En verdwijn met mate (1996), kreeg voor mij een particuliere betekenis. De dichter kalligrafeerde zes jaar na publicatie de tekst in zwarte inkt op crèmekleurig papier en stuurde het als een persoonlijke rouwbetuiging bij het overlijden van mijn vader. De dood was altijd al een motief in Nolens’ dichtwerk. In necrologieën kort na zijn heengaan wordt hij gememoreerd – in een parafrasering – als de dichter die van sterven zijn beroep maakte (De Standaard, 27 december). Het adagium staat tussen aanhalingstekens als slotregel van het gedicht met het openingsvers ‘Ik leef als een scheur’, in de eerste afdeling ‘Kapotgezongen en gedagtekend’ van Twee vormen van zwijgen (1975): ‘Maar ik blijf. Ik blijf / een grote bek opzetten in het knekelhuis: / ‘Van sterven heb ik mijn beroep gemaakt!’’. In Dagboek van een dichter 1979–2007 (2009) heeft hij het over oefeningen ‘in niet-zijn’.

In de memoriams van de voorbije weken worden de thema’s in Nolens’ poëzie vanuit een biografische lectuur besproken. Minder aandacht kreeg de schrijver als poeta doctus, de denkende dichter. Naast een zelfkritische stem en een begenadigde taalsmid, componist van existentieel-filosofische gedichten, is hij voor vele lezers een standvastig zoeker in de taal, iemand die in zijn eigen formulering eerst ‘woorden’ had en voor zichzelf een hoogstpersoonlijke en niet inwisselbare ‘taal’ smeedde. In een vroege dagboekaantekening stelde hij: ‘Literatuur, in de betekenis van bellettrie, de schone letteren, interesseert me minder dan het zoeken naar mijn persoonlijke waarheid’ (24 juli 1980). Dat voornemen heeft de dichter levenslang als een devies aangenomen. Hij sprak in zijn Dagboek over ‘geloof’ en ‘verlangen’ als de katalysator van zijn schrijven. Nolens viel samen met zijn dichterschap, zijn taal is de belichaming van het dichten. De minzaamheid van deze attente man, zoekend naar ‘manieren van leven’, resoneert in zijn nagelaten oeuvre. Het werk is een expeditie naar de wereld van het ik. De neerslag van die verkenningstocht door en in de taal is een taalwerkelijkheid die tegelijk ver uitstijgt boven de contouren van het autobiografische ik.
Leonard Nolens is na Hugo Claus wellicht een van de meest geprezen dichters in de naoorlogse Nederlandstalige literatuur, vele malen erkend voor zijn lyriek. Zowat alle onderscheidingen met prestige zijn de dichter te beurt gevallen. De Constantijn Huygensprijs is hem toegekend in 1997 voor het oeuvre. In 2012 ontving hij uit handen van de Nederlandse koningin Beatrix de driejaarlijkse Prijs der Nederlandse Letteren. Ook de commerciële VSB-prijs in 2008 voor Bres, door velen beschouwd als een hoogtepunt in het dichtwerk, én in 2015 de vijfjaarlijkse poëzieprijs van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde voor Zeg aan de kinderen dat wij niet deugen (2011) staan op het palmares.
Nolens’ werk kreeg sinds Twee vormen van zwijgen publieke aandacht. Deze bundel werd door de dichter beschouwd als het échte debuut na Orpheushanden (1969) en De muzeale minnaar (1973), bundels waarover de schrijver later beweerde dat hij nog niet ‘[leerde] maat-houden’ (Dagboek van een dichter). Met Twee vormen van zwijgen vangen de drie meermaals herdrukte auteursedities aan van zijn verzamelde gedichten. In de verantwoording van Hart tegen hart. Gedichten 1975–1990 (1991) noteerde hij de inmiddels veel geciteerde uitspraak: ‘Wie dat begin wil zien, waarin men woorden heeft en nog geen taal, kan elders terecht’. De zin die daaraan voorafgaat, luidt: ‘[d]e eerste twee bundels […] vormen het kluwen dat in de latere bundels wordt afgewikkeld’.
De meest recente verzameluitgave, Manieren van leven (eerste druk: 2012), telt meer dan duizend pagina’s. Na die uitgave publiceerde Nolens nog twee dichtbundels: Opzichtige stilte (2014) en Balans, de bundel die het slotakkoord is van zijn imposante schrijfwerk.
Naast tweeëntwintig dichtbundels en bibliofiele uitgaven zijn er de dagboeken: Stukken van mensen. Dagboek 1979–1982 (1989), Blijvend vertrek. Dagboek 1983–1989 (1993), De vrek van Missenburg. Dagboek 1990–1993 (1995) en Een lastig portret. Dagboek 1994–1996 (1998). Aangevuld met de ongebundelde dagboeknotities Verborgen agenda (1998–2007) zijn de vier afzonderlijk uitgegeven notities verzameld in Dagboek van een dichter. Ter gelegenheid van de zeventigste verjaardag, in april 2017, bezorgde uitgeverij Querido in een cassette Dagboek van een dichter (1979–2007) en Manieren van leven (1975–2011), samen goed voor 2300 bladzijden onversneden Nolens. De dubbeluitgave is voorzien van een cd waarop de dichter op de hem kenmerkende sonore wijze eigen werk voordraagt.
Nolens was daarnaast een vertaler. Hij volgde de vertaalopleiding aan de Hogeschool in Antwerpen. Naar aanleiding van de toekenning in 2018 van de titel van doctor honoris causa van de Universiteit Gent kregen Nolens’ vertalingen uit het Frans, Italiaans en Duits aandacht. Hij vertaalde teksten van Jean Améry, Albert Camus, Franco Ferrucci, André Gide, Peter Handke, Franz Hellens, Thomas Mann en Bernard Gorsky. Hierover noteerde hij: ‘Vertalen is de beste manier om al zeer vroeg, als je zelf nog niets te zeggen hebt, te leren schrijven’ (Dagboek).
―Nolens, herschrijver en beeldvormer
In een vraaggesprek liet Nolens over het vroege werk het volgende optekenen door Willem M. Roggeman: ‘Het is voor mij nogal moeilijk om te spreken over vroeger werk, niet omdat ik die confrontatie niet wil, of omdat ik die pijnlijk zou vinden – soms wel natuurlijk – maar omdat ik niet echt geïnteresseerd ben in wat ik vroeger of gisteren heb gemaakt’ (1984). Dat geldt beslist voor beide bundels waarin hij zijn entree maakte in de poëzie. Een schrijversleven lang, na Twee vormen van zwijgen, heeft hij doelbewust de woordconstructies die volgens hem nog geen taalvormen opleverden genegeerd.
Vergelijkend tekstonderzoek van afzonderlijke bundeluitgaven en verzameledities, zo heb ik aangetoond in het Handboek Leonard Nolens (red. Carl de Strycker, Yves T’Sjoen en Maxime van Steen, PoëzieCentrum, 2018), plaatst die bewering in een ander perspectief. De schrijver is wel degelijk de confrontatie aangegaan met zijn vroegere werk, hoe pijnlijk ook. Hij nam de poëzie van de jaren zeventig soms ingrijpend onder handen. Hij bleek, in tegenstelling tot zijn publieke uitlating, wel degelijk interesse te hebben in de verschijningsvorm van vroeger werk in een nieuwe uitgave, meer bepaald in de verzamelbundel waarmee de Nederlandse uitgever en de auteur vanaf het begin van de jaren negentig – na het succes van Geboortebewijs (1988) en vooral Liefdes verklaringen (1990) – een (breder) lezerspubliek trachtten te bereiken. De inzet van de dichter was voor zichzelf een bijgeschaafd literair postuur te construeren en alle sporen van een woordoverladen, ook wel als neo- experimenteel bestempelde poëzie buiten het vizier van zijn lezers te houden. Weliswaar in het besef, zo lees ik in het Dagboek, dat de aanvang nimmer kan worden geloochend (zoals het Handboek aantoont). De toenemende belangstelling voor het dichtwerk in Nederland en de betrokkenheid van redacteurs van Elsevier en later Querido hebben het schaaf- en slijpproces eind jaren tachtig bespoedigd. Nolens bleek wel degelijk geïnteresseerd in wat hij in de begindagen van zijn schrijverschap heeft gemaakt. Hij heeft de beeldvorming van eerder uitgegeven werk bijgestuurd door regels te schrappen, motto’s weg te laten, soms hele gedichten te herschrijven.
De drukgeschiedenis van Bres laat zien dat de publiek zichtbare genese van het dichtwerk een decennium in beslag nam. In de verantwoording is sprake van ‘[z]es meestal onder de titel 'Bres' verschenen reeksen uit vijf vorige bundels [die zijn] gehergroepeerd’. In En verdwijn met mate, Voorbijganger (1999), Manieren van leven (2001), Derwisj (2003) en Een dichter in Antwerpen en andere gedichten (2005) zijn Bres-gedichten opgenomen: ‘[o]p enkele kleine correcties na [steeds de] oorspronkelijke versie’. Het variantenonderzoek op basis van gedrukte bronnen, eerder gepresenteerd in Handboek Leonard Nolens, levert meer op dan ‘enkele correcties’: de groepering van teksten in de oorspronkelijke titels is later aanzienlijk gewijzigd, gedichten zijn in de boekuitgave Bres toegevoegd, enzovoort.
Nolens was een taalsmid, niet alleen in zijn onverstoorbare pogingen om existentiële vragen te stellen, telkens opnieuw, zoekende in de taal naar het ‘juiste’ woord om daarna telkens weer te beginnen.
Voor het tekstonderzoek mocht ik mij verdiepen in eerdere drukken en vergelijken met de verzameluitgaven. Variantenmateriaal kan immers gegevens opleveren die als bouwstenen dienen voor een beschrijving van eventuele verschuivingen in een auteurspoëtica. De esthetica van een schrijver ondergaat in de loop der jaren wel eens veranderingen. De auteur is ook een lezer van het eigen werk, door Nolens meermaals beklemtoond in het Dagboek, en herleest met andere ogen dan de schrijver van toen. Er wordt gesleuteld aan formuleringen, de compositie ondergaat wijzigingen, in periteksten wordt ingegrepen, soms is een komma aangepast. Nolens zelf heeft beweerd dat de plaatsing van een komma ‘een existentiële keuze’ is. Dan moet je als filologisch poëzielezer des te aandachtiger zijn. Uit het variantenmateriaal komt een ander beeld naar voren van de persona poetica dan de naar eigen zeggen niet in eerder werk geïnteresseerde dichter. Vooral met het oog op Hart tegen hart (eerste druk) heeft de schrijver herlezen en ook herschreven. Het profiel van de verzamelaar Nolens beantwoordt aan twee uiteenlopende prototypen. Tot het vroege werk kunnen de eerste vijf bundels worden gerekend: Orpheushanden, De muzeale minnaar, Twee vormen van zwijgen, Incantatie (1977) en Alle tijd van de wereld. Een poëtica (1979). Later, vanaf Hommage (1981), heeft hij nog nauwelijks ingegrepen in teksten. Deze indeling is gebaseerd op de door Nolens toegepaste recyclageprocedés, niet zozeer op auteursuitspraken zoals in het vermelde interview van W.M. Roggeman of bijvoorbeeld thematische, stilistische of linguïstische verschuivingen. Breukmomenten zijn er ook nauwelijks in wat een bijzonder consistent oeuvre heet te zijn.
Een belangwekkende verschuiving in Nolens’ poëzie ligt ten grondslag aan de keuze om in werk vanaf de jaren tachtig niets meer te wijzigen. In beschouwingen. over de postexperimentele fase van Nolens’ dichtwerk wordt gesproken over een strakkere vormgeving, het gebruik van structurerend rijm, regelmatig ritme en vooral een beteugeling van de retorische zegging. Thematisch is sprake van schoorvoetende levensaanvaarding, in de taal een zoeken naar geborgenheid en rust, verzoening met de lotsbestemming, meer hoopvolle motieven zoals het vertrouwen in de kracht van het woord, een minder afwijzende of zelfs defaitistische levenshouding, het geloof in de liefde en vooral in een leven in taal. Een echo van deze thematische en zelfs existentiële accentverschuiving, door de dagboekschrijver gesitueerd in de tweede helft van de jaren tachtig, vangen we op in bijvoorbeeld deze aantekening van 31 juli 1991:
Van je twintigste tot je veertigste heb je
Nee gezegd, ben je voornamelijk Nee geweest.
En sedert je veertigste ben je Ja gaan zeggen,
leven beamend, ja, zelfs leven ‘heiligend’
zoals het is. Maar altijd staat daar Nee nog op de
achtergrond, kijkt Nee argwanend toe of Ja niet
laf wordt […]
(Dagboek, p. 370).
Nolens was een taalsmid, niet alleen in zijn onverstoorbare pogingen om existentiële vragen te stellen, zoekende in de taal naar het ‘juiste’ woord om daarna telkens weer te beginnen. Hij was een schrijver die nauwgezet bleef sleutelen aan de formulering in het besef dat het laatste en definitieve woord nooit gesproken is of geschreven staat. Over het doorgaans moeizame schrijfproces zijn indringende passages na te lezen in het Dagboek. Het oeuvre dat er de weergave van is, is ‘het levenswerk van een mens in wording’ (Dagboek van een dichter).
Schemering
Ik ben de zoon van hem die morgen wordt geboren
En de vader van de jongen die mijn ouders verwekt.
Ik ben de dochter van het inzicht dat moet komen
En de moeder van de hoop die mij nu schept.
Ik ben de oudste minnares van de knaap die ik was
En de trouwste weduwnaar van ieder lief in zak en as.
Ik leef niet en ik ben niet dood, ik waak noch slaap,
En in die derde wereld moet ik altijd wonen.
Ik ben er als een vreemde kind aan huis, begaap
De penningmeester van mijn voddenbak met dromen,
De beheerder met mijn broodzak in zijn hoofd.
Ik ben hun luis, hun muis, en leef niet, kan niet dood.
(Liefdes verklaringen, Querido, Amsterdam, 1990)