‘BOEM, paukeslag, daar ligt alles… plat’. Zo herinner ik me het eerste ‘oorlogsgedicht’ waarmee ik als kind (of was ik al tiener?) te maken kreeg. Bovenal herinner ik me hoe we het gedicht verklankten, en hoe de klank de betekenis van oorlog begon te dragen: het stille, dreigende sissen, de luide alles overtreffende knallen, het voortdurend opgejaagd zijn, de totale vernietiging. Hoewel mijn zoektocht naar oorlog in (Nederlandstalige) kinder- en jeugdpoëzie verre van systematisch is (en Bezette stad uiteraard geen kinderpoëzie is, al worden delen eruit met kinderen gelezen), kom ik vandaag nergens een dergelijke klankrijke verbeelding van oorlog tegen. Hoe klinkt die nu dan wel? En wat vermag (kinder)poëzie over oorlog? Herneemt die de gruwel, het geweld en het lijden door in klank en beeld de oorlog op te roepen, of zoekt die naar de veerkracht die taal kan bieden, een herinnering aan of vooruitblik op vrede?

Dit artikel is enkel voor abonnees

Om verder te lezen op poeziekrant.be: