Dit artikel is gratis.

Het lijkt een merkwaardig gegeven: een Friestalig debuut uit 1959 wordt heruitgegeven door een Vlaamse uitgeverij, en vertaald door een Vlaamse schrijver die vóór haar vertaalopdracht het Fries niet machtig was. Maar wie reade runen van Ella Wassenaer (1908-1983) en de begeleidende essays leest, begrijpt de omweg: er is een zekere gevoeligheid voor taalstrijd en taalemancipatie voor nodig om deze bundel op waarde te schatten.

Het ‘kolofon’, ook het tweede gedicht in de bundel, luidt:

deze verzen zijn gezet
uit de rode runen
alfa en omega
van begeerte
en gedrukt met
lichtschuwe plasticinkt
op het ribfluweel
van hart en tijd

De runen verwijzen naar de oorsprong van de Friese taal, die voor het eerst rond het jaar 800 in runen op schrift werd gesteld. Van alfa tot omega: in 26 gedichten – geen willekeurig aantal – schept Wassenaer een eigen taaluniversum op een moment dat in het Fries schrijven allesbehalve vanzelfsprekend was. Haar poëzie moet begrepen worden in de context van die taalpolitieke strijd, waarin voor het Fries een autonome status werd bevochten.

Doordat ze juist dan het taalexperiment aangaat (‘uit al mijn kloven / zal ik schreeuwen / om het woord  / het nieuwe’) kan ze gezien worden als een avant-gardedichter. Niet voor niets verwijst de naam Ella Wassenaer, pseudoniem van Lipkje Post-Beuckens, naar Ellen Warmond, de vrouwelijke Vijftiger met wie ze zich verwant voelde. Wassenaers gedichten zijn net als die van de Vijftigers associatief, klankrijk en lichamelijk: ‘wordt mond / ogen armen / op het matglas / van onze scheiding / ik trek je uit je verten / in mijn dichtbij’.

In een mooie bijdrage aan de bundel stelt Albertina Soepboer dat de poëtica van Wassenaer ‘veronderstelt dat taal begint met een oerschreeuw en werkelijkheid kan scheppen’. De talige werkelijkheid is daar niet los van te zien: niet alleen begeeft Wassenaer zich in het spanningsveld tussen de meerderheids- en minderheidstaal, ook haar vrouw-zijn speelt een belangrijke rol in haar schrijfpraktijk – en in de laatdunkende manier waarop haar werk destijds werd ontvangen: als ‘erotiek van de hooizolder’, bijvoorbeeld.

Het is juist die vrouwelijke stem, niet als biologische entiteit maar als uiting van Wassenaers wereldbeeld en taalscheppende kracht, waardoor hedendaagse schrijvers haar werk onmiddellijk omarmen, zoals blijkt uit de vele haast jubelende bijdragen in deze heruitgave. De auteurs voelden zich direct met haar verbonden, met deze ruim 65 jaar oude dichtbundel – zelfs als ze geen Fries spraken. Haar vertaler, Zindzi Tillot Owusu, schrijft: Ik ben niet Fries – niet eens Nederlands. De verbintenis die ik met Wassenaer voel, heeft niets te maken met onze taal of nationaliteit. Die band draait om een gedeelde liefde voor taal, experiment, poëzie, om ons gedeelde vrouw-zijn, tot een minderheid behoren, blijven zoeken en daardoor je eigen pad uithouwen. Het enthousiasme over Wassenaers gedichten spat in deze uitgave van de pagina’s af. Ik kan niet anders dan dat delen: het is geweldig dat deze poëzie, fraai uitgegeven met een facsimile van het Friese origineel, nu breed beschikbaar is.