SYTSE JANSMA (1980) publiceerde eerder twee Friestalige bundels: Wa’t tate seit moat ek whisky sizze (2008) en As nomaden yn tinten teplak (2015). Rozige maanvissen is zijn Nederlandstalige debuut.
Wanhoop, woede, pijn, gelatenheid, een leven dat nooit meer hetzelfde wordt – verdriet kan rauw zijn. Sytse Jansma probeert in Rozige maanvissen, zijn Nederlandstalige debuut (hij schreef eerder al twee Friestalige bundels), zijn verdriet juist te verzachten. (Ik schrijf zijn verdriet, omdat hij in een interview vertelde dat zijn bundel puur autobiografisch is, en hij juist door het strikt particuliere te beschrijven het algemene wil tonen). De bundel is het verslag van een rouwproces, en tevens een poging zijn vriendin tot leven te wekken door haar vast te leggen in taal.

Zij overleed op 32-jarige leeftijd volkomen onverwacht aan een hersenbloeding, een gebeurtenis die hij als volgt omschrijft: ‘duizend rode draden / als warme lenteregens, drenkten de grond / achter je ogen en toen werd je meegenomen, / zo is het gegaan, zachter dan dit kan ik niet’. Hij richt zich in dit gedicht tot haar, iets wat hij in drie van de vier afdelingen doet.
In ‘lichaam I’ beschrijft hij in een reeks van twaalf octaven op ontroerende wijze haar coma, dood, crematie, het uitstrooien van haar as en, als dat allemaal achter de rug is, het onherroepelijke gemis. Begrijpelijkerwijs zijn er die eerste dagen momenten waarop hij haar dood wil ontkennen.
het is wel mooi geweest zo, sta maar op
nu het nog kan, alles ligt nog precies zoals
je het hebt achtergelaten, je mobiele telefoon
nog op de hoek van de kast, je boek open
en omgekeerd op de leuning van de bank,
keer het om, lees het levend, wrijf de slaap
uit de hoeken van je ogen, maak alles minder
ongelezen, hulpeloos ongebruikt door jou
De tweede reeks, ‘lichaam II’, bestaat uit twaalf kwatrijnen, voor het overgrote deel in de tegenwoordige tijd, waardoor er niet zozeer sprake is van herinneringen, maar van herbelevingen.
zie hoe ik de dunste haren op haar armen bevingerwandel,
vertraag bij de wervelingen in haar nek, onverwachts afsla
naar haar oorlellen, halve manen, nieuwe omwegen ontdek over
het roofvlies van haar lippen, naar de verre uithoeken van haar mond
Helaas worden enkele gedichten ontsierd door een wat overtrokken beeldspraak en in het vijfde gedicht van de reeks ook zelfhulpboekentaal. Als de vriendin van de dichter ‘haar blozende lijf voor [hem] openvouwt’, ontwaart hij zijn ‘diepste zelf, een voor de slacht bewaarde stier / die alsmaar stampend en snuivend op haar afstormt’. Dat is wel een heel driest ‘diepste zelf’.

De derde afdeling heet ‘post’: post aan de vriendin uiteraard. Hierin schrijft de dichter onder andere over de bevreemdende ervaring dat bekende dingen nooit meer hetzelfde zijn: ‘de gieter op het dakterras / is niet meer de gieter // de kruiden die je water gaf / zijn niet de kruiden’. De brieven zijn belangrijk, haar leven moet worden vastgelegd, want ‘wie ziet jou op het dakterras / als ik er niet meer ben?’ Niettemin lijkt zij geleidelijk minder zicht- en voelbaar te worden: ‘steeds minder je opmijmeren, je inslijten / in vaste gebruiken, je opstoken, spanwijd / nazweven op de thermiek van wie je was’.
De ‘hiernamaalsvariaties’ in de laatste afdeling lijken de laatste fase van het rouwproces. Hij stelt zich voor waar zij nu zou kunnen zijn: op gezamenlijke vakantiebestemmingen, in een klooster, op de Himalaya, en vanzelfsprekend op het wad: Jansma woont in Harlingen.
In het slot- en tevens titelgedicht lijkt het rouwproces voltooid. De dichter aanvaardt haar dood, maar ze verdwijnt niet. Zij blijft aanwezig in taal en de bundel is daarvan het bewijs. In dat gedicht laat Jansma zien hoe hij te werk ging om dat te bewerkstelligen.
rozige maanvissen
ergens in taal is zij nog
in woorden die duurloos
en momentenbreed ronddobberen
als rozige maanvissen
haar zoeken is woorden aftasten
die haar nog niet kennen, ze omvormen
tot ze fingerspitzenvinnen krijgen
om haar bij zinnen te zwemmen
Het woord ronddobberen is vreemd, omdat drijvende vissen veelal dood zijn. Of hoort drijven bij het natuurlijke gedrag van maanvissen? Een kleine zoektocht op het internet levert niets op. Dobberen schijnt echter ook de betekenis ‘zweven’ te hebben en in dat geval is de vergelijking aannemelijk: maanvissen laten zich meevoeren met een zwakke stroom. Maar handig is deze metafoor niet, want niet iedere lezer zal zich de moeite van een onderzoekje getroosten.
Jansma wilde het universele tonen in een persoonlijk rouwproces. Of dat is gelukt, zal iedere lezer voor zichzelf moeten uitmaken. In ieder geval biedt de bundel de mogelijkheid vanuit de onderling zo verschillende vormen van rouw op deze bundel te reflecteren.
Hoor je graag Sytse Jansma zelf aan het woord over zijn bundel, luister dan naar de podcast Beeldspraak waarin Hans Depelchin in gespre gaat met de auteur.