Iedere maand publiceren Roel Richelieu van Londersele en Charles Ducal op www.hetgezeefdegedicht.be de beste gedichten uit de inzendingen die door debutanten (die nog geen bundel bij een uitgeverij gepubliceerd hebben) worden ingestuurd. Op die manier willen zij beginnende dichters een kwaliteitsforum geven, niet alleen de gelukkigen die in de zeef achterblijven, maar ook de anderen, die allen kunnen rekenen op een summiere verantwoording waarom hun werk de selectie niet heeft gehaald. Voor deze rubriek in Poëziekrant selecteren zij het beste van het beste van de afgelopen maanden en leggen uit waarom het hun bevalt.

Leeslint
Een verzameling pamfletten gebundeld
met in het midden een vouw,
twee nietjes.
Dat waren wij.
Per seizoen sneuvelde een klein woud,
bleven paragrafen achter.
Vegen van grafiet nestelden zich
in de marge.
Op een dag werd een kaft geleverd,
glanzend, voorzien van een titel in reliëf.
Een satijnen leeslint in de rug
wijst voortaan loodrecht de dagen aan.
Over suggestie gesproken. Het lijkt een niemendalletje bij eerste lectuur, dit kleine gedicht, maar we keren al op onze stappen terug. Want ‘pamfletten’ is een woord dat zoveel oproept. Mogelijk onder invloed van de woelige jaren van onze studententijd. Een tijd in beweging, een tijd van actie, verzet en opstand. Pamfletten zijn vlugschriften. Vluchtig, maar ook aandringend, geschreven met de bedoeling te overtuigen of tot iets op te roepen. Merk hoe mooi die nietjes daar staan ingedrukt. Ja, zo waren wij inderdaad, zo nietig en tegelijk zo onstuitbaar in onze niet te temmen schrijfdrift. In grafiet, een beetje slordig, niet voor de eeuwigheid dus. Die is pas aan de orde in de derde strofe en wat daar met kaft en leeslint wordt gewonnen én tegelijk verloren, laten we graag aan uw verbeelding over. De bedrieglijke eenvoud van dit gedicht is een constante in de poëzie van Matthias Haeck, die met ‘Staat van genade’ de vijfde Zeefpoëzieprijs in de wacht sleepte.
Zij woont hier niet
ze liep lang voor me
naast me
ging dan weg
zoek haar dus niet
in mij
ik hield van wat ze zei
al spraken we een andere taal
zoek haar dus niet
tussen mijn woorden of mijn zwijgen
zij zal niet antwoorden
verwacht haar evenmin
aan de tafel in mijn keuken
tussen de lakens van mijn bed
onder de bergen schuim in bad
ik hield van haar
ving haar net daarom niet
ik ademde haar in
maar daarna ook weer lang en langzaam uit
ze hangt hier maar wat stralend rond
wel minstens vijfmaal ingekaderd aan de muren in mijn hal
niet aan de wanden van mijn hoofd of van mijn buik
zoek haar dus niet
in mij
zij woont hier niet
Woont zij hier niet? Als dat gewoon zo is, is de titel van dit gedicht een banale mededeling. En op het eerste gezicht kan je het gedicht natuurlijk ook zo lezen, alsof het over een afwezige derde gaat die hier heeft gewoond, maar nu niet meer. Alleen op het eerste gezicht, want vanaf strofe drie wordt het afweren van de zoekende ‘jij’ zo intiem dat het duidelijk wordt dat de titel liegt. Of beter: ontkent. Ze woont hier wel, die ‘zij’, ook aan de tafel in de keuken, tussen de lakens van het bed en de bergen schuim in bad. Want zij en ik zijn ofwel één en dezelfde, behalve in de tijd, ofwel een symbiose die er was, maar nu verbroken is. Er moet een reden zijn waarom de ‘jij’ zo dringend bezworen wordt de ‘zij’ niet hier te zoeken, niet in de ‘ik’, niet in ‘mij’. De lezer heeft er het raden naar. Wie zou er ingekaderd aan de muren kunnen hangen, minstens vijfmaal nog wel, iemand die naast en voor de ‘ik’ liep en die ze in longen, hoofd en buik heeft opgeslagen als een lichamelijke erfenis? Waar ze zich van bevrijden wil? De toon van het gedicht heeft iets van willen overtuigen tegen beter weten in, alsof haar hier en ‘in mij’ zoeken is wat de jij als vanzelfsprekend zal doen, maar waar ze moet worden van afgehouden. We weten niet of Saskia de Vriese, in dit mooie suggestieve gedicht, bewust het woord mijdt dat alle onduidelijkheid over de ‘zij’ zou opheffen. We vermoeden van wel, en daarom zullen ook wij het hierbij laten.