Dit artikel is gratis.

Iedere maand publiceren Roel Richelieu van Londersele en Charles Ducal op www.hetgezeefdegedicht.be de beste gedichten uit de inzendingen die door debutanten (die nog geen bundel bij een uitgeverij gepubliceerd hebben) worden ingestuurd. Op die manier willen zij beginnende dichters een kwaliteitsforum geven, niet alleen de gelukkigen die in de zeef achterblijven, maar ook de anderen, die allen kunnen rekenen op een summiere verantwoording waarom hun werk de selectie niet heeft gehaald. Voor deze rubriek in Poëziekrant selecteren zij het beste van het beste van de afgelopen maanden en leggen uit waarom het hun bevalt.

vertraagde tijd

er hing een geur van blijven
in de kamer
waar afscheid lag te drogen

op tafel
lagen kruimels van nabijheid
en een glas
waarin stilte langzaam stolde

ik bewoog me door het stof
alsof tijd daar had geslapen
en liet mijn handen rusten
in de plooien van wat was

ik zag niets
maar kon voelen
hoe het daglicht trilde
alsof het iets vergat

Er worden aardig wat gedichten geschreven bij beeldend werk, soms zelfs door de beeldende kunstenaar zelf. Wat niet altijd zo’n goed idee is. Je hebt wel eens de neiging het gedicht met de hand te bedekken om het schilderij of het beeld alleen aan het woord te laten. Maar wellicht zijn er ook gevallen waarin woord en beeld niet alleen goed samenwerken, maar je de indruk krijgt dat ze elkaar niet kunnen missen. Twee kunstvormen die samen één kunstwerk zijn. In perfecte harmonie van toon, sfeer, uitstraling. We weten niet waar Tinneke Bracke de inspiratie haalde voor dit mooie gedicht, maar het roept zo sterk een beeld op dat je geneigd bent er het ontbrekende stilleven bij te denken. Het is een kunst woorden zo te combineren dat ze iets oproepen dat er niet staat en er toch is. Het verbinden van abstracta met concrete zaken – afscheid met drogen, nabijheid met kruimels, stilte met een glas, tijd met stof, plooien met ‘wat was’– roept op wat weg is, en juist doordat het weg is, is de daarop intredende stilte dat wat haar ‘stolling’ geeft. Er gaat aan dit gedicht iets vooraf, maar je weet niet wat, en dat voorbije moet zo afwezig zijn om te kunnen achterblijven als sfeer, iets wat op het schilderij treffend in lichtinval en kleur wordt opgeroepen. Zie je het? ‘Ik zag niets’, staat er en dat zouden we ongetwijfeld ook doen. De ogen sluiten om dat trillen te voelen. De mooiste regels van het gedicht. ‘Alsof het iets vergat’. Alleen het daglicht weet wat.

De liefde van de sneeuwpop voor de kachel

Het is weer papadag hier in
de kinderslachterij,
goed hoorbaar aan
het einde van mijn doodlopende straat.

Het is een kopstation van onversneden en
gereformeerde gruwel die
me doet denken aan hoe ikzelf,
vulkanisch, en onder asregens van zwart geloven,
gestalte kreeg in het Pompeï van mijn jeugd.

Toch moet de agnost in mij,
gewichtheffer op een slap koord,
dwangmatig altijd nog op zoek
naar weer een nieuwe pitch voor een hiernamaals,
een milde deurman met de juiste sleutel
die helpt bij de ontsnapping;
een klein gebrek is geen bezwaar.

Het is de liefde van de sneeuwpop voor de kachel,
maar ook een vierde wand voor taal;
het is aanbidding van een keramische geliefde,
niet vatbaar voor mijn vuur.

En dus blijft over nu
de gesel van de leugens uit de houten broek;
ik ben voor altijd opgesloten in
een blikken trommel vol met zwarte vogels,
luchtdicht, en hevig heen en weer geschud
door een in ergernis ontstoken opperwezen.

Iets totaal anders. Iets ongemeen heftigs uit de pen van Peter Gielissen, maar tegelijk ook bijzonder spitsvondig. Papadag in de kinderslachterij, die gereformeerde gruwel is ons onbekend, maar we kunnen ons er wel iets bij voorstellen als het in de herinnering van de ik ‘asregens van zwart geloven’ oproept. Je zou, na zo’n vulkaan over je heen te hebben gekregen, voor minder agnost worden. Of willen worden, als we dat gewicht op het slappe koord en dat ‘dwangmatige’ een regel verder in rekening brengen. Een keer de hemel beloofd valt hij moeilijk af te zweren. Wat dit gedicht overtuigend maakt zijn de krachtige beelden die het verlangen om te ontsnappen, verlost te worden door een nieuw geloof in een milder hiernamaals zo ongezouten overbrengen. De ‘liefde van de sneeuwpop voor de kachel’ is een bijzonder knap beeld voor een suïcidaal verlangen naar bevrijding. De ‘vierde wand’ is de ingebeelde wand tussen toneel en publiek. Moet taal in die richting soelaas brengen? En wat is een keramische geliefde waar de oven geen vat op heeft? Het gedicht begint met een papa en eindigt met een opperwezen. Veel is de ‘ik’ dus niet opgeschoten. De slotstrofe zegt het in een schitterend beeld. Opgesloten in die blikken trommel zijn we terug bij af. In een doodlopende straat, op een doodlopend spoor. Geen redding mogelijk. Behalve door die ‘vierde wand’?