Op een rommelmarkt in Berlijn koopt de anonieme vertelster een doos negatieven uit 1960–70. Aanvankelijk gaat haar belangstelling uit naar een vrouw met een witte jurk bij een meer, een man die misschien haar buurman is, de landschappen… De volwassenen op de clichés zijn stuk voor stuk opgegroeid onder het nazisme. Wat was hun houding tegenover de nationaalsocialistische ideologie? In welke mate werd hun geest erdoor besmet? Wat waren hun onderlinge verhoudingen? Hebben ze zich schuldig gevoeld? Het laat de vertelster niet los. Ergens ziet ze op een paar foto’s ineens kinderen tussen de volwassenen verschijnen. Die had ze aanvankelijk uitgesloten als niet-relevant: tijdens de oorlog waren ze nog niet geboren, ze zouden haar alleen maar afleiden van haar onderzoek. Maar nu grijpt ze terug naar de stapel kiekjes van kinderen, die ze onder in de doos had opgeborgen.

Dit artikel is enkel voor abonnees

Om verder te lezen op poeziekrant.be: