De carrière van dichter Paul Demets (1966) is op zijn minst opvallend te noemen. Hij debuteerde in 1999 met De papegaaienziekte, gevolgd door het bibliofiele Vrees voor het bloemstuk in 2002. Pas in 2011 verschijnt zijn derde bundel De bloedplek, waarna hij weer zeven jaar andere dingen doet. De echte doorbraak naar een groter publiek komt er in 2018 met De klaverknoop, waarvoor hij in 2019 de Jan Campert-prijs krijgt toegekend. Vanaf dan volgen de bundels snel op elkaar. Tijdens zijn zwijgende jaren is hij blijven schrijven en een dichtslibbende ader zorgt ervoor dat de dichtader opengezet wordt. Hij heeft nu twee uitgeverijen nodig om zijn productie te laten bijbenen. Wat ik gemakshalve zijn reguliere productie noem, verschijnt bij De Bezige Bij: De hazenklager (2020) en De bijendans (2022). Bij PoëzieCentrum verschenen – bij gebrek aan een beter woord – ‘gelegenheidsgedichten’. Meestal is een concrete gelegenheid de aanleiding voor een gedicht, dat vervolgens uitgroeit tot een hele bundel. Zo verschijnen zijn gedichten geschreven als plattelandsdichter in 2020 onder de titel De aangelanden, gevolgd door drie bundels die telkens een ontmoeting tussen poëzie en schilderkunst centraal plaatsen: Het web van omtrek (2021), over Roger Raveel, De landsheer van de Lethe (2021), over Léon Spilliaert, en De hartvinger (2022), over Raoul De Keyser.
Dit artikel is enkel voor abonnees
Om verder te lezen op poeziekrant.be:
- meld je aan als abonnee
- of neem een abonnement
- of koop dit artikel voor €3