In Mustafa Stitous nieuwste bundel Waar is het lam? wordt het banale met het goddelijke, het moderne met het archaïsche, en het concrete met het mysterieuze vermengd. Dat levert rijke, confronterende en vooral zinderende poëzie op.
MUSTAFA STITOU (1974) debuteerde in 1994 met zijn dichtbundel Mijn vormen. Daarop volgde Mijn gedichten (1998), Varkensroze ansichten (2003), en Tempel (2013). Waar is het lam? is zijn vijfde bundel. Zijn werk werd onder andere bekroond met de Jan Campertprijs, de VSB Poëzieprijs en de A. Roland Holst-Penning.

‘We hebben vuur en hout, maar waar is het lam voor het off er?’ vraagt Isaak in Genesis 22:7, voordat zijn vader Abraham hem op het off erblok legt. Stitou had geen betere titel voor zijn bundel kunnen kiezen. De schrijnende pijn die aan de vraag ‘Waar is het lam?’ hangt, achtervolgt je de hele bundel, blijft aan elk gedicht kleven. Stitou onderzoekt het concept van een off er vanuit talloze perspectieven, waarbij de gebroken relatie tussen ouder en kind een glansrol krijgt. Dat het in Genesis 22 niet zomaar om een ouder, maar om de aartsvader (Stitou laat ook de term ‘aartsdader’ vallen) van de islam, het jodendom én het christendom gaat, maakt het geheel nog krachtiger.
Als er iets duidelijk naar voren komt in Stitous onderzoek naar off eren, is het wel dat het gruwelijke en het gewone naast elkaar kunnen bestaan. Of beter: dat het gruwelijke gewoon kan zijn. De personages in de wereld van Waar is het lam? lijken soms geen enkel moreel besef te hebben. In het gedicht ‘Uier’ wordt er een vel met spijkers om de kop van een lam gebonden, zodat diens moeder het dier van haar af blijft trappen als het drinken wil. Nu dat gedaan is, kan men ‘gerust / het land bewerken, het dak / repareren, de liefde bedrijven, / dolen, plannen maken’. Mogelijke schuld wordt afgeschoven, gebagatelliseerd of genegeerd. Wanneer een vrouw tijdens een soort excorcisme in elkaar wordt geslagen, bijvoorbeeld, mogen omstanders blijven kijken, als ze maar onthouden dat het niet de vrouw is die afgeranseld wordt, maar de demoon die in haar huist. In een droom offert een man zijn zoon en zegt ‘Ik heb geen keus. Maar ik zal zo over hem heen rijden / dat hem niets overkomt.’
Bij al dit (religieus) vergoelijkte geweld toont Stitou de ontmenselijking van degenen die het off er zijn. Hun vervangbaarheid. Isaak is inwisselbaar met het lam. Het is mooi hoe de dichter dieren en mensen wel vaker aan elkaar gelijkstelt. Een intrigerend voorbeeld is te vinden in de vierde afdel ing van de bundel, waarin de ik-persoon zich in een soort baasje-huisdierverhouding bevindt met een personage dat soms een vrouw lijkt, soms een huisdier, en soms een klein kind. Een wezen dat met een zekere vertedering wordt beschreven, maar dat ook gevaar zou kunnen lopen: ‘Droom dat ik haar hand afhak, / vil en kook, het vlees afkluif / van haar vingers en wakker schrik.’ Zij ligt echter vredig ‘naast me, één en al / snorrende slaap’. Een wezen, kortom, waar de onschuld vanaf spat en dat volledig op een ander vertrouwt.
Stitou zet een schijnwerper op de onschuldigen. Op het lam, op het kind. Dat maakt de gedichten die vanuit het lam zijn geschreven in de tweede afdeling, ‘De steden’, extra sterk. Zijn schrijfstijl draagt daar alleen maar toe bij. Stitou, die altijd al goed is geweest in het neerzetten van glasheldere beelden, schuwt geen enkel onsmakelijk woord en toont ons barbaarsheid soms op harde wijze, zoals wanneer de maagdarmkanaalorganen van het lam worden verwijderd: Abraham stopt ‘de tuinslang in de aars / van mijn kadaver’ en de dunne darm is ‘een glibberig lint dat hij windt / om zijn pols’. Maar soms bewerkstelligt Stitou dit ook op een simpele, elegante manier. Alsof er altijd een onpartijdige poëet boven de gedichten zweeft die de schoonheid in elke gruwel vindt, zoals in het gedicht ‘Met open ogen’, waarin de dode ramskop vanuit een teiltje toekijkt:
hoe zijn lichaam hangt uit te bloeden,
aan de achterpoten opgehangen in de boom,
als een jas van vlees,
een stilleven
waaruit zo nu en dan een druppel bloed lekt
en op de grond tikt
als een verlate, gestolde
seconde.
Met zulke overtuigende beschrijvingen van grote en kleine wreedheden, is het niet vreemd dat personages in Waar is het lam? wat meer afstand nemen van het geloof. Daar hangen echter zware consequenties aan vast. Zo beschrijft Sitou in het langere gedicht ‘Mo’ een leraar die een intense ondervraging van zijn leerlingen ‘op een zwarte school, zoals dat heet’ ondergaat. De pubers vormen een heus tribunaal:
Het is iets instinctiefs. Ze ruiken het.
Ze ruiken aan je dat je een verrader bent. Een stuk of wat
veertienjarige vmbo-rechtertjes. Wat nu? Opbiechten
dat je niet gelovig bent, een afvallige – welk risico
loop je daarmee? Breekt de hel dan los?
Mo wordt geconfronteerd met zijn gelovige moeder en zijn afstand tot haar, met zijn liefde voor de Nederlandse taal. Ze tonen hem dat aanpassingen aan dit land, zoals het afkorten van een naam (van Mohammed naar Mo, van Fatima naar Faat), een ‘offer aan de lieve vrede is’. Integratie als verloochening, verraad. Hij leidt een dubbelleven, en een dubbelleven ‘is een half leven’.

Aan dit dubbelleven, aan het achterlaten van tradities van je ouders en het aannemen van nieuwe gebruiken, plakt schuldgevoel. Dit keer gaat het niet om de schuld van een bloedoffer, maar om symbolische offers. Het veroorzaakt een soort onthecht gevoel. Een gevoel bij geen van beide werelden te horen. ‘Wie bespuwde / mijn loflied’ vraagt de dichter in ‘Wie doofde’. Zijn antwoord: ‘ikzelf, oude schuld / klemmend / om mijn enkels.’ En in ‘Pantheon’, het zevendelige gedicht over de meest uiteenlopende goden in de meest uiteenlopende banale situaties, stelt een van de goden dat ‘Niet-hopen’ de beste voorbereiding is.
Die onverschilligheid lijkt niet meer dan een doorzichtig copingmechanisme. Het helpt je misschien de dag door, maar als het erop aankomt, wordt er in Waar is het lam? vooral naar één ding verlangd: intimiteit. Het liefst van een vader of moeder. Want hoewel iemand steeds meer afstand van een ouder neemt, hoewel iemand pijnlijke tradities, soms zelfs een taal, van zich af weet te schudden, zingt het gebrek aan liefde een leven lang door. Dat schrijft Stitou wederom pijnlijk goed op in het slotgedicht ‘Mosque shaped alarm clock’, waarin een moeder na een wekkeralarm met nijverige, twijfelloze toewijding overgaat tot bidden:
Gebaard heeft ze je, opgevoed, een vreemde zien worden,
maar losgelaten nooit en jij haar evenmin; ongeduldig
blijf je wachten, kinderlijk verongelijkt, haar onverdeelde
aandacht wil je, overtuigd dat dood is dood.
Er zit veel in deze strofe: ook al ben je je bewust van het verschil in geloofsopvattingen, ook al weet je dat iemand je met de beste intentie opvoedt, het maakt het gemis om wat had kunnen zijn niet minder. Wanneer je de bundel in dit licht leest, lijkt ‘Talisman’ een soort sleutelgedicht te vormen. Een gedicht dat een talisman op zichzelf is, die helpt tegen schuldgevoelens, tegen eenzaamheid, tegen het gevoel een half leven te leiden. In de gebiedende wijs spoort de dichter aan om schaamte en (zelf)walging van je af te laten glijden. Om je God of je geweten of je schuldgevoelens niet meer zo streng te laten spreken: ‘zet kalm de blik vanboven / het barse vadermasker af.’ Dan kan er weer vertrouwen zijn, kun je weer voelen ‘dat je leeft, dat je niet alleen leeft’. En misschien is dat de sterkste boodschap tussen alle dodelijke eerlijkheid, alle kromme onrechtvaardigheid, alle schuldgevoelens: ‘Er is genade’. Ook in dit leven. Ook in deze scherpe, melodieuze, meeslepende bundel.