Dit artikel is gratis.

CEES NOOTEBOOM (1933) is een veelgeprezen schrijver van ongeveer alle mogelijke genres: romans, reportages, dichtbundels, vertalingen, essays, liederen. Hij won prijzen als de Jan Campertprijs, de P.C. Hooft-prijs en de Prijs der Nederlandse Letteren.

Net als zijn vorige bundel, Afscheid, gaat Cees Nootebooms nieuwe dichtbundel Vos over vergankelijkheid en herinneringen. Wederom gaat het om gedichten die Nootebooms diepgang en belezenheid etaleren. Toch heeft het minder vormvaste Vos iets bijzonders, iets eigens.

Cees Nooteboom
(c) Simone Sassen

De titel van de bundel doet denken aan Nootebooms verhalenbundel ’s Nachts komen de vossen, in 2010 bekroond met De Gouden Uil. Daardoor dringen de gelijkenissen tussen de twee werken zich al gauw op. In Vos draait het net als in zijn verhalende voorganger om thema’s als de dood, de tijd, en herinneringen. Zo roept de dichter overleden schrijvers aan. Bevraagt ze, zoals in het gedicht ‘Gemengde berichten’, waarin Nooteboom zijn gedachten laat afdwalen naar een personage in een bundel van Lars Gustafsson: ‘Lars is dood, maar ik zou het ook wel willen weten: / hoe stierf die jonge Werner?’ Of hij vergelijkt zichzelf met zijn voorgangers en onderzoekt hoe de tijd zich verhoudt tot het dichterschap, zoals in ‘Theocritus, Bucolica’: ‘Gaat het nog over hetzelfde? Leven, dood, pijn’. Maar er is ook sprake van bewondering, zoals in ‘Men’, waarin Nooteboom naar Kouwenaar verwijst door de woorden ‘totaal witte kamer’ (de titel van een van diens dichtbundels) te laten vallen, en zegt ‘verbluft’ te zijn hoe ‘de tovenaar’ werkt:

de gewoonste woorden
van inkt en van potlood
veranderd in marmer:

scheikunde,
hoger beroep.

Het belang van schrijven wordt steeds duidelijker. Het valt op hoe verweven het onderwerp is met de dood en de tijd. De dichter heeft het vaak over leegte. Het niets. Niemand zijn. De bundel opent met het omineuze ‘Wolken’, waarin een allesvernietigende storm over hele dorpen trekt:

Wij bleven achter als niemand
in onze dorpen van niets,
schimmen van nooit meer hetzelfde
met voor altijd de as en de geur
van het einde.

Er lijkt maar één mogelijkheid voor de schrijver om zich te verhouden tot al dit niets. En dat is dichten. Dit is precies waarom ‘Vos’ zo’n sterk titelgedicht is. Nooteboom beschrijft hoe een vos over een veld vol sneeuw rent:

Leeg was alles, ook hij zelf, de vos nam
een besluit en rende, een lange streep

tegen het wit, verhaal van snelheid
en angst

Dit beeld, op het omslag vastgelegd door Nootebooms vrouw, fotograaf Simone Sassen, rijmt met het doel van de dichter. Alleen door zijn letters op het lege vel te durven plaatsen, kan de schrijver de leegte aan. Kan hij het hier en nu grijpen:

er is alleen maar dit.
Seconde, stilte, vos,

alleen maar dit
gedicht.

In dit soort sierlijke, gelaagde gedichten is Nooteboom op zijn best. En op een enkele zouteloze uitzondering na, zoals het ietwat suffe gedicht ‘Wie?’, waarin fysieke kenmerken van beroemde schrijvers, zoals de neus van Harry Mulisch en de kin van Hugo Claus, worden samengevoegd tot een nieuwe schrijver (‘Mijn hemel, / wie hebben we daar?’), weet de schrijver het niveau hoog te houden. Nooteboom verwijst zoals in eerder werk iets te graag naar de ene na de andere literaire held, maar het had zelden zo’n belangrijke functie als nu. Door de doden in zijn bundel te betrekken, weet hij concepten als leegte, tijd en kunst beter uit te beelden. Bovendien verrast hij de lezer soms oprecht met nieuwe onderwerpen of een afwijkende stijl. Zoals in het muzikale, seksuele, lugubere ‘Asperge’: ‘Zie nu de eerzame, eetbare phallus, / Deze eenzame, dierloze / Eenhoorn’. De bundel is onheilspellend, intiem en ontroerend. De echo van Nootebooms eerdere werk is er nog in te horen is, maar tegelijk staat Vos sterk op zijn eigen poten.