Dit artikel is gratis.

Dat de bundel Bij wijze van horizon, waarvoor dochter Muriël Steegstra een keuze maakte uit het werk van haar vader Jos Steegstra (1940 - 2002), eindigt met het distichon ‘laat het duren / tot de tijd verdwijnt’, vat perfect samen waar het de dichter steeds om te doen is geweest.

Als onderwijzer heeft Steegstra altijd meer willen zien dat enkel en alleen zijn lesopdracht. Als organisator van culturele evenementen in Bergen, Oss en Bergen op Zoom bracht hij dichters en kunstenaars bijeen. Een jaar voor zijn overlijden bracht hij een ruime keuze uit zijn werk samen in de bundel Grondslag. Zijn naam blijft verder voor altijd verbonden aan de tweejaarlijkse Jos Steegstra Poëzieprijs die in Oss werd ingesteld.

In de verantwoording bij Bij wijze van horizon geeft dochter Muriël een beknopte toelichting bij haar werkwijze: ‘Ik heb mij gepermitteerd de chronologie in de rangschikking van de gedichten los te laten. De thematische vierdeling die deze bundel kent, komt dus voor mijn rekening.’ Overkoepelend motief bij de vier cycli is de preoccupatie met de tijd, mede bepaald door de overtuiging ‘dat niets verloren gaat of het komt wederom’. Steegstra hield zich nadrukkelijk bezig met alles wat met archeologie te maken had, zoals blijkt uit de openingscyclus van de bundel. Hij heeft het over ‘opgewoelde scherven’, over ‘veldverkenning’, over ‘sporen van vergeten aanwezigheid’. Bijzonder mooi is het uit vijf deelfragmenten bestaande ‘Tussen Yde en Westerbork’, waarin het levenslot van ‘het meisje van Yde’, het veenlijk dat eind 19de eeuw werd teruggevonden (‘laagveen dat zichzelf overgroeide / tot de beugel een zwart hoofd / met rossig haar opdregde’) wordt gelinkt aan dit van ‘een meisje met hoofddoek door een kier / van een veewagon starend in Westerbork.’ Vader- en moedergedichten, verder geëxpliciteerd met gedichten over de geliefden binnen de naaste omgeving, raken in de eropvolgende afdeling het thema van huis en thuis aan. Hierop aansluitend is een reeks ‘wintergedichten’ opgenomen (Steegstra heeft het over ‘verkleumde akkers’, ‘de immense helderheid / van deze berijpte velden’...) die aan haiku’s doen denken. Zo bijvoorbeeld: ‘waar men zonlicht ziet glimmen in spiegelingen op wat verborgen blijft zilvert wind op lang gras.’

Met ‘Kaartlezen’, het gedicht dat opgedragen is aan Magda van der Ster, de vrouw van Jos Steegstra die met haar foto’s in de bundel vertegenwoordigd is, opent het vierde en meteen ook het slotdeel van Bij wijze van horizon. Het slotvers van het gedicht is veelzeggend: ‘de kaarten zijn geschud’. Aan de reis door het leven lijkt een eind gekomen, ‘op weg, wist hij veel, naar / waar geen verder bleek’. Vandaar het besef dat hij ‘elders’ zal toeven, ‘hij weet nog niet / waar dat zal zijn en wat het pijnlijkst is: / er niet bij te zijn of gemist te worden.’ Vandaar ook, zoals aangegeven in het slotgedicht van de bundel, het verlangen naar een ‘Rustplaats’:

laat me opgaan
in zo’n alom bos

laat het duren
tot de tijd verdwijnt.

De gedichten van Steegstra moeten het niet hebben van gezochte beeldspraak en dito poëticale aanpak. In ‘Poëzie’, het programmatisch gedicht waarmee de bundel opent, staat te lezen: ‘Poëzie is leven / na een ijstijd, / zonder materialen / opnieuw beginnen.’ Dat zegt genoeg.