Sinds haar debuut Kater (2006) schrijft Froukje van der Ploeg (1974) afstandelijke verzen over relaties (‘mijn kind’ of ‘de jongen’) en ‘dagelijkse’ toestanden die de identiteit van de ik bepalen/beperken. En dat in het besef dat die identiteit wisselt naargelang de omstandigheden en context. ‘Steeds worden we iemand anders’, heet het in Zover (2013). Een gedachte die weer opduikt in Nachtvangst (2020) en nagenoeg letterlijk terugkeert in Soms blijft iets, waarin sprake is van ‘dagen die je nodig hebt om te onthouden wie je zelf bent’. Zelfherkenning is dan ook een opvallend motief.

Dit artikel is enkel voor abonnees

Om verder te lezen op poeziekrant.be: