In 1991 kreeg ik voor mijn eerste oefening bij een college literaire kritiek Stokkevingers van Kreek Daey Ouwens toebedeeld. Alles daaraan verwonderde mij: de naam van de auteur, het omslag met een mysterieuze kaars- of kleiachtige vorm met drie, ik noem het maar even ‘stokkevingers’, vanwege de titel, die al net zo raadselachtig is. In deze toestand raakte ik vermoedelijk de essentie van haar werk: een kinderlijke verwondering als je iets voor het eerst ziet en niet kunt thuisbrengen. Het blijft nog voor even volkomen zichzelf, maar dringt tegelijkertijd diep binnen, omdat je nog nauwelijks een notie hebt van jezelf. Inmiddels zijn we decennia verder, verscheen in 2023 de schitterende verzamelbundel Mijnwerk. Een kroniek van een familie in scherven en dan nu dat wonderschone Daun.

Dit artikel is enkel voor abonnees

Om verder te lezen op poeziekrant.be: