Dit artikel is gratis.

Wanneer in één gedicht ‘de man die de bange man speelde de maan aan een haakje hing’ en ‘een uitgerangeerde zanger de kop van een barnevelder bijt’ – dan weet je dat je te maken hebt met een dichter die alle registers opentrekt. En dan ook echt allemaal: Elmar Kuiper is niet voor één gat te vangen.

ELMAR KUIPER (1969) is actief als schrijver van poëzie en toneel. Daarnaast is hij beeldend kunstenaar, performer, filmmaker en participeert hij in het improvisatiecollectief Tsjinlûd. Ook is hij songschrijver en zanger van de darkwave band Tigers fan Greonterp. Kuiper schreef eerder vijf Friestalige bundels en twee Nederlandstalige: Hechtzwaluwen en Ruimtedier.

Blauwe hanen, Kuipers derde bundel in het Nederlands (hiervoor schreef Kuiper met name in het Fries), kenmerkt zich door pluriformiteit. Deze bundel is een carrousel met typografische experimenten, uiteenlopende thema’s en wel heel diverse personages. Een bespreking van een paradijsvogel in de Nederlandse poëzie.

In eerste instantie vallen de verwijzingen naar het plattelandsleven op. Natuurlijk in de titel (hanen), maar ook de titels van de drie afdelingen in de bundel herinneren aan een boerenjeugd: de ‘bloedlellen’ horen bij de hanen, de ‘knipklei’ is de moeilijk te bewerken kleigrond van Friesland, en het (in eerste instantie bevreemdende) beeld van de ‘wolk op franjepoten’ blijkt te verwijzen naar een hen. Hoewel Kuiper de lezer scènes voorschotelt uit zijn kinderjaren, voelen die nergens nostalgisch aan. Het is niet zozeer een ‘vroeger was alles beter’ als wel een ‘vroeger was er minder afleiding en stond ik in directe verbinding met mijn omgeving’. De wereld die Kuiper oproept is een frisse en ruwe wereld, waarin hij het eerste kievitsei langsbrengt bij de politie, zijn vader ‘in een hemd van de Zeeman’ onder de ‘aangevreten wilg’ ligt en er in het Fries gepreveld wordt over het weer (‘noe op regen wij wacht’ in het gedicht ‘Ontmoeting’).

Verwacht van Kuiper echter geen Kopland-achtige beschrijvingen van de natuur: in veel van zijn gedichten zit een absurdistische ondertoon en veel humor. Neem bijvoorbeeld het prozagedicht ‘Operatie Desert Storm’. Daarin kijken vader en zoon uit het boerderijraam, zien vier soldaten langs de slootwal kruipen en nodigen hen uit op de koffie: ‘ik haalde zes boerenbontmokken uit de kast en schonk in’.

Het licht absurdistische van deze bundel zit hem soms in personages die opduiken op plekken waar ze niet thuis lijken te horen (zoals de soldaten), maar ook in de combinatie van al die personages samen. Met evenveel gemak verplaatst Kuiper zich in een psychiatrisch patiënt, basejumper Felix Baumgartner, een stierenvechter, Jezus en een VN-militair. Kuiper lijkt het als dichter volkomen vanzelfsprekend te vinden dat hij in de huid kruipt van al die mensen. Ziet hij zichzelf als acteur die voor ieder gedicht weer met de ogen van een ander kijkt? Zijn referenties aan de toneel- en filmwereld doen vermoeden van wel. Wellicht is het dichterschap van Kuiper ook een amalgaam van zijn voorgaande identiteiten en nog gedroomde identiteiten: de boerenzoon, de verpleger die zich inleeft, de vader in plaats van de zoon.

Toch voelt die veelheid aan stemmen – zowel menselijke als dierlijke – die uit Blauwe hanen opstijgt niet storend. Veranderlijkheid is de constante in deze bundel, want ook als lezer word je door bepaalde woordkeuzes of woordplaatsingen steeds gedwongen bij de les te blijven. Dat blijkt direct al uit het eerste gedicht:

kerf present in de palm van je hand en
luister: de haan die te zuiver kraait legt lam, pikt

land dat jou is toebedeeld. kort zijn snavel in, trek
een veer uit zijn glanzende staart

Je denkt dat de haan met zijn snavel ‘pikt’, maar doorlezend naar de volgende regel moet je dat idee bijstellen. Net wanneer je denkt een constante te hebben ontdekt in de bundel (in thema, versvorm, woordkeus), zet Kuiper je weer op scherp. Dat maakt van Blauwe hanen een bundel om te lezen en herlezen, er los gedichten uit te pikken en nieuwe verbindingen laten aangaan. Of we Kuiper aan het eind van de bundel echt kunnen vatten? Ik denk het niet, maar dat van willekeur absoluut geen sprake is blijkt wel uit het laatste gedicht van de bundel: ‘we liepen over een oude ader // je vroeg: ‘wil je me het / laatste stukje dragen?’ // hoe kan een zoon dat weigeren. / dus droeg ik je. // de eerste haan kraaide.’

Het is nu de zoon die de vader meeneemt; het einde is een nieuw begin, met de eerste haan die kraait. De haan die nog blauw ziet in de zich terugtrekkende nacht?