Dit artikel is gratis.

Opgetild in een verdwijnen is de titel van een nieuwe bloemlezing uit het werk van J.H. Leopold (1865-1925). De liefde van samenstellers Simon Mulder en Mieke Zonneveld voor hun onderwerp spat van de pagina’s af.

De inleiding tot Leopolds leven en verstandhouding met vrienden en leerlingen is bondig, maar zeer informatief. We zien een jongen uit een notabel onderwijsgezin een getalenteerde student worden die zijn doctoraal én dissertatie cum laude afsluit. Die student ontwikkelt zich tot een geliefde, eigenzinnige docent klassieke talen aan het Erasmiaans Gymnasium in Rotterdam. Hij houdt van muziek en sport, brengt gedurende het schooljaar tijd door in cafés, restaurants en de concertzaal, bewoont een spaarzaam ingerichte vrijgezellenkamer, maakt lange wandelingen op het platteland rond Rotterdam en gaat in de zomer en winter naar Tirol om bergen te beklimmen. Van buitenaf gezien een overzichtelijk, opgeruimd leven.

Maar wie Leopolds gedichten leest en zijn omgang met vrienden en leerlingen bestudeert, stuit op zijn mystieke binnenkant. Die komt tot uitdrukking in prachtige, soms ongrijpbare, paradoxale gedichten, zoals in gedicht X uit de cyclus ‘Soefisch’:

Hoe meer gekleed, hoe naakter ik mij vind,
hoe dichterbij, hoe minder toegezind;
goddelijk licht, verbijsterende luister,
hoe meer ik zie, hoe meer ik word ik verblind!

Leopold begreep goed hoe hij, in zijn leven en in zijn poëzie, aanwezig kon zijn door ernaar te streven afwezig te zijn. Tijdgenoten zagen dit ook, zoals de samenstellers in de inleiding aantonen. Ze citeren eerst Martinus Nijhoff: ‘de altijd reeds verscholene, de wegwiller, de verdwijner in zijn verzen’; vervolgens letterkundige Willy Spillebeen: ‘Het ziet er inderdaad écht wel naar uit dat Leopold alle sporen naar een concrete werkelijkheid wil uitwissen’; ten slotte Leopold zelf: ‘Ik wil gaan schuilen in mijn eigen woorden’.

Op de rechterpagina’s volgt chronologisch een ruime selectie uit Leopolds poëzie; de linkerpagina voorziet de gedichten telkens van uiteenlopende biografische informatie. De samenstellers putten daarbij rijkelijk uit Een dichter op de kruising, De kamer van Leopold en andere titels van Leopold-biograaf Dick van Halsema, maar plaatsen ook foto’s (waarvan veel uit het Haagse Literatuurmuseum), gedichten van zijn leerling Ida Gerhardt en diverse andere fragmenten, waaronder toonzettingen van een aantal van zijn gedichten.

Gelet op de vele fragmenten en onvoltooide gedichten die Leopold achterliet, is het bijna onmogelijk om een goed beeld te krijgen van het complete oeuvre van Leopold. Juist daarom is de keuze om losse gedichten te koppelen aan biografische beelden en teksten zo geslaagd. Misschien blijft Leopold zo alsnog ongrijpbaar, maar hij komt in deze opzet als dichter en als persoon in zijn veelzijdigheid tot zijn recht.

Er is duidelijk veel tijd en energie gaan zitten in wat de samenstellers een ‘biografische bloemlezing’ noemen. Ook in hun eigen taalgebruik wekken zij overtuigend de taalwereld van Leopold tot leven. Daardoor voegen de archaïsche woordkeuzes van de samenstellers in hun eigen bijdragen (zoals ‘verscheiden’ in plaats van ‘overlijden’), die in een minder geslaagd boek potsierlijk zouden overkomen, hier juist waarde toe.

Kort voor zijn dood schreef Leopold: ‘Tijdens mijn leven / was iedere oordeelspreuk er altijd neven, / ai, welke kans dan, dat na mijn verscheiden / zij met begrip loven en laken beiden’. Dit boek voor liefhebbers en kenners biedt een grondig, veelzijdig, toegewijd en empathisch overzicht van Leopolds leven en werk. Die oordeelspreuk is voor de goede lezer.

----

Wil je meer weten over Leopold? Beluister dan ook de podcast die de samenstellers van de bloemlezing maakten: