Op de voorkant van Brooddoosomhelzing van Mahlu Mertens (1987) prijkt een deel van een brooddoos met een elastiek eromheen. Op de rand zit een beschadiging, waar de lezer toch voor de zekerheid even zijn vinger over strijkt, want is het niet de kaft van de dichtbundel die een beetje is beschadigd? Nee, het voelt glad, denkt hij opgelucht, het hoort bij de afbeelding. Toch blijft het schrijnen, die plek in de hoek, nog voordat je de bundel hebt geopend.
.jpg)
De inhoud valt in twee delen uiteen, als de twee helften van een boterham: ‘Wij (ev.)’ en ‘Wij (mv.)’. Beide helften zijn op hun beurt weer opgedeeld in verschillende afdelingen. In de eerste afdeling onderzoekt de dichter die ene kant van de ‘wij’, die is losgeraakt of nog losstaat van de andere kant, ofwel doordat de ander is overleden, een relatie is verbroken, of juist voorzichtig een eerste stap richting een relatie is gezet.
Rouw stelt Mertens voor als ‘inslaggaten’. Je wordt er compleet door overrompeld en niets is meer hetzelfde:
De ochtend hangt scheef in de scharnieren,
piept als ik mijn nacht uit stap.
Buiten hangen peren haaks in bomen.
Huizen glijden langzaam langs de horizon naar beneden.
Wegen krullen op als oud behang,
vlaggenstokken verzamelen vogels.
Heel tastbaar schetst Mertens hoe rouw zich kan manifesteren: een fiets die in de schuur blijft staan ‘bij gebrek aan berijder’: ‘Elke avond / haakt mijn fiets zijn stuur in het jouwe. / Stalen omhelzing in de nacht.’ Juist in die concrete voorwerpen, in die stalen omhelzing, voel je het verlies. Er is ook plaats voor humor: ‘Zoals in een cartoon een gat in de deur / de vorm heeft van Bugs Bunny’, beschrijft Mertens de afwezigheid van een geliefde in ‘Omtrek’.
De dichter gebruikt geen grote woorden voor universele gevoelens. De onzekerheid in een beginnende relatie vergelijkt ze met het uit elkaar halen van lego: je probeert na een eerste gesprek terug te halen wat er nu precies is gebeurd en gezegd: ‘sorteer de blokjes, hussel, zoek naar nieuwe constructies.’ Je weet op het laatst niet meer of beiden hetzelfde bouwplan hebben gevolgd. Zo werpt Mertens met concrete beelden een verrassende kijk op alledaagse gebeurtenissen.
In ‘Wij (mv.)’ zet ze deze techniek doeltreffend in om maatschappelijke problemen aan te kaarten. Witte en zwarte lijven stelt ze voor als een ‘dresscode’, waardoor je even het gevoel krijgt alsof je het vel van een ander kunt aantrekken: ‘Probeer gerust een keer zwart te rijden, / maar oefen op je dommeblondjesblik.’ Alles draait om vooroordelen. In ‘professor’ weet Mertens het standaardbeeld dat je van een professor hebt heel verrassend om te bouwen tot een welbespraakte en belezen vrouw – je merkt hoe je ook zelf bij dat woord eerst aan een man denkt. Zo prikt zij gedurende het gedicht je eigen denkpatronen door.
In ‘Reddingsvest’ fotoshopt ze het gezicht van haar dochter op de iconische foto in de krant van het aangespoelde lichaam van een vluchtelingenkind. Ze voelt hoe het zeewater omhoog dringt in haar keel. Zo verbindt ze complex wereldleed met dat wat zich afspeelt in haar eigen huis. De kracht van Mertens’ bundel zit precies in die lelijke kras op de broodtrommel, die de lezer brengt bij wat er schuurt en daarom aandacht verdient in ons leven.