Met de bundel Herfsttij van het verlangen neemt Romain John van de Maele de draad van het publiceren weer op. In klassiek opgebouwde gedichten, waarin een uitgesproken voorkeur opvalt voor terzinen en kwatrijnen en waarbij telkens het openingsvers als titel fungeert, blikt de ik die in de herfst van zijn leven is gearriveerd en de dood niet zo heel veraf meer weet (‘de zachte vrije dood / bij een winters meer. / Mijn eigen bondgenoot, /maar wanneer, wanneer?’), terug op wat is geweest. En vooral dan: op wie en wat hem gemaakt heeft tot wie hij is geworden. De lijn die wordt uitgezet in de bundel loopt langs een genealogisch onderzoek, gefundeerd op een ‘omzien in verwondering’, met centraal erin het ouderpaar en met een duidelijke aandachtsfocus op de vaderfi guur. Die was, zoals blijkt uit het portret dat gaandeweg de bundel wordt uitgetekend, allerminst een man-van-de-daad. Eerder, zo luidt het in het gedicht ‘In de ritselende bladeren’, iemand die zich in zwijgen hulde, zichzelf herkende in de merels die wachten op de morgen: ‘Hun zwijgen is oorverdovend, / en zo voltrekt zich ook jouw leven / langs wegen van herkenning / en paden van niet vermoede hoop.’ Van de Maele zoekt duidelijk de parallel tussen zijn leven en dat van zijn vader: ‘Mijn haperende woorden tekenen / een fi guur van alle tijden, / een vader met scheppende handen / die verhalen vol weemoed voedt.’ Of nog: ‘Wij zijn reizigers naast elkaar, / jij op weg naar heden / en ik aarzelend naar het verleden.’ Op haar beurt fi gureert de moeder in de door het gemis ingekleurde verzen. Het is vooral haar ziekteproces dat hier wordt gememoreerd: (‘er leeft iets mee in haar / dat leven verwoest. / De afbreker sloopt / het laatste verweer’), maar evengoed wordt stilgestaan bij de troost die de muziek haar bood. Enkele uitzonderlijke keren slaagt Van de Maele erin de strikt familiegebonden thematiek in een ruimer kader te plaatsen. Het levert meteen gedichten op die in hun suggestiviteit weten aan te spreken. Zo is er ‘In Raivola’, geconcipieerd rond Edith Södergran en uitmondend in deze mooie slotverzen: ‘Met mijn bloed schrijft ze in de sneeuw / het onleesbaar verhaal van haar eeuw.’ In de marge van dat alles spiegelen de gedichten de persoonlijke Werdegang van de ik in en door het leven: relativerend waar nodig (bijvoorbeeld inzake het gevoel dat hij door zijn grootouders niet echt gewenst was in het tijdskader van net na de oorlog – ‘de tere huid / van nieuw leven dat / niet echt welkom was / in het huis van de grootouders’), de krijtlijnen van zijn eerdere schrijven uitzettend (‘ik ben niet verder ontspoord / dan in mijn gehavende, opstandige taal’), op geen enkel moment verdrinkend in troosteloos pessimisme: ‘op mijn tong smelt een rijke oogst, / de smaak van vervlogen kinderjaren / en van een najaar dat nog komen moet’. Met Herfsttij van het verlangen staat Romain John van de Maele er weer als dichter.

Dit artikel is enkel voor abonnees

Om verder te lezen op poeziekrant.be: