Bij Sjoerd Kuyper denk ik meteen aan Robin en God (1995), één van mijn favoriete kinderboeken aller tijden. Zelden las ik een kinderboek met een zo indringend, ‘hemels helder’ godsbeeld en taalgebruik.
Niet alleen uit Robin en God , ook uit de andere Robin-boeken las ik talloze keren voor, voor mij staan ze op hetzelfde niveau als andere klassiekers zoals Jip en Janneke (Annie M.G. Schmidt ), Hannes en Kaatje (Miep Diekmann), Tommie en Lotje (Jacques Vriens) en Polleke (Guus Kuijer).
Sjoerd Kuyper schreef ook andere klassiekers (overladen met bekroningen, onder meer de Theo Thijssen-prijs voor zijn hele oeuvre). Zelf herinner ik me vooral Het zakmes (1981 succesvol verfilmd in 1992), waarin mij vooral het voor die tijd actuele gezinsbeeld aansprak, met een werkende moeder en een grotere rol van de vader bij de opvoeding van de kinderen. Ook onvergetelijk is het filosofische fantasieverhaal De rode zwaan (1996, verfilmd in 1999).

Recenter zijn me vooral zijn engagement en sociale bewogenheid bijgebleven zoals in De duik (2014), een ode aan het leven in Curaçao en aan de schoonheid en verbondenheid van mensen over grenzen heen. Ik was ook geraakt door het berijmde prentenboek Mensen met koffers , met illustraties van Annemarie van Haeringen (2021).

Sjoerd Kuyper debuteerde in 1974 als dichter voor volwassenen met Ik herinner mij Klaas Kristiaan. De gedichten kenmerkten zich door eenvoud en herkenbaarheid. Belangrijke thema’s waren tijd, de band tussen generaties, liefde en natuur. Wezenlijk voor Kuyper was de andere kijk op de dingen die hij met zijn gedichten wou geven, wat vaak zorgde voor verrassende beeldspraak. Als voorbeeld citeer ik ‘Als iedereen’ uit Mooi leven (2016)
Als iedereen de dingen zag als ik,
de nacht, de dag, de zon
die ze met steken groot
als halzen van flamingo’s
aan elkaar naait,
zou ik geen gedichten schrijven.
Niemand zou ze lezen.
Iedereen keek naar de dingen.

Ook zijn poëzie voor kinderen wordt gekenmerkt door een heldere verwoording en originele beeldspraak (nog steeds relatief zeldzaam in kinderpoëzie). Als eerbetoon citeer ik twee voorbeelden. Het eerste laat zien hoe dicht zijn kinderpoëzie bij die voor volwassenen aansluit.
Ochtend
Mijn tuin slaapt.
Ik zie zijn adem:
mist tegen het raam.
Mijn tuin droomt
van geel en blauw.
En wat hij droomt,
dat zal bestaan.
Als de zon is opgegaan.
Uit : Jouw hand in mijn hand (2006)
Het tweede gebruik ik vaak in mijn poëzieworkshops met kinderen, om te laten zien wat originele beeldspraak (vergelijkingen en metaforen) inhoudt en hoe die gewone dingen als nieuw laat zien.
Gisteren
Ik ben bij mijn oma geweest.
Gisteren.
Ze heeft van oorlog en liefde verteld.
Haar stem ritselde
als blaadjes in de wind.
Ik was gisteren bij haar op bezoek.
Iedereen is een mooi boek.
Uit : Ik blijf altijd bij je (2008)

Als ultiem eerbetoon herhaal ik een titel van één van zijn poëziebundels voor kinderen om hem nooit te vergeten : Ik blijf altijd bij je (2008).