I
Toen een zeer jonge Yehudi Menuhin zijn ouders om een viool vroeg, kreeg hij van hen een speelgoedviool waarop niet te spelen viel. Daar werd hij zo boos om dat hij het namaakinstrumentje aan gruzelementen sloeg en de stukken onder zijn bed gooide. Het is waarschijnlijk de eerste en laatste gewelddaad geweest van deze eminente kunstenaar, groot violist en yoga-beoefenaar (op hoge leeftijd dirigeerde hij nog een orkest vanuit kopstand met zijn voeten).
Vroeg ontluikende passie voor muziek. Een lans breken (lees: een stuk speelgoed) voor klank.
Echte klank, die je alleen uit een echte viool tevoorschijn kunt toveren.
Klank als: geëmancipeerd geluid.
Geluid krijg je ook te horen als je een namaakviool kapotslaat.
Meestal noemen we dat dan lawaai.
Maar lawaai kan natuurlijk opgenomen worden in een klankinstallatie.
Eventueel kunnen daar teksten of gedichten bij voorgedragen worden, die dan op hun beurt weer klank worden. Het geheel zou muziek kunnen zijn.
Maar terug naar Yehudi.
Hij kreeg een echte viool. Een paar jaar later – hij was ondertussen twaalf geworden – speelde hij de vioolconcerti van Beethoven en Brahms na elkaar op hetzelfde concert.
In korte broek. De sokken keurig opgetrokken tot net onder de knieën.
Dit artikel is enkel voor abonnees
Om verder te lezen op poeziekrant.be:
- meld je aan als abonnee
- of neem een abonnement
- of koop dit artikel voor €3