Aan het slot van het tweeluik ‘Opgeborgen’ noteert ASTRID DEWANCKER: ‘Er huisde smaak, reuk noch hart in mij. / Alleen een kromme, ijdele rug / en een vacature voor liefde.’ In haar chronologisch opgebouwde bundel Wie omkijkt wordt gezien blikt zij terug op wat het leven in relatie met anderen haar heeft gebracht. Het ‘omkijken’ kan in die zin letterlijk worden geïnterpreteerd, een vaststelling die wordt gestaafd door het omslagbeeld: een in graniet gehouwen beeld van het hoofd van een vrouw die over haar schouder heen achterom kijkt. ‘Ik heb me gekwetst aan de wereld, / mijn vleugels ontwricht’, luidt het in ‘Te veel niets’: in een beeldtaal die opvallend vaak refereert aan het breken, aan slaande deuren, aan gevoelens van onmacht (‘Woorden messen mijn keel. / Mijn mond houdt alles binnen. / De krop vol vuist’), aan liefde die onlosmakelijk verbonden lijkt met leed en pijn, gaat Dewancker de confrontatie aan met het verleden, blijvend op zoek naar zichzelf. In de afdelingen ‘Ik zie jou door de vingers, vader’ en ‘Haar stem is veel moeders in mij’ wordt de weinig harmonieuze relatie met de ouders gememoreerd. Over de vader, die als juwelierhorlogemaker aan de kost moest zien te komen, schrijft Dewancker: ‘Ik onthoud / de vluchtige geur van mijn vader / die er niet was, zichzelf niet kon leven’; de moeder blijft al even afwezig (‘Aan het eind van een hobbelige weg / staat jouw gevarendriehoek: / Verboden toegang voor de liefde’). Het besef dat er nooit echt sprake is geweest van zorgzame toenadering, weegt op het gemoed van de ik uit de gedichten: ‘onze woorden zijn te smal’. Via een tussendeel waarin onder de noemer ‘wonen op een plein’ het ouderlijk huis centraal wordt gesteld (in weinig overtuigende verzen als ‘glazen wanden breken’, ‘uit alle kamers laait woede en vuur’, ‘de gevel kreunt en barst’, ‘afgebrokkeld geluk valt gillend op de stoep’), dient zich de vluchtroute van de liefde aan. Waar die aanvankelijk in een vorm van euforisch genieten wordt beleefd (‘Je mond sprak van warme lentedagen. / De taal van je handen kon ik lezen’), keert ze zich stilaan tegen de ik: ‘Jij droeg mijn wonden. Te laat kende ik die van jou’. De ander legt bijna letterlijk beslag op haar: ‘Naar jouw patroon raakfrees je mij fi jn’. Dan is het tij gekeerd: Dewancker heeft het over ‘het inslaan van je laagste woord’, ‘het knechtende van je handen’, ‘als jouw lijfeigene / heb je mij omgelegd voor de langste nacht’… Als geliefde, maar ook als ‘Vrouw zonder kind’ blijft ze uit balans, ‘op glazen draden van ontgoocheling’. In de slotafdeling, ‘Stormvloedkering’, wordt de impasse doorbroken. ‘Vanavond slaan we de oude wereld / van ons af ’, luidt het, de liefde en de lust dringen zich op tegen de achtergrond van het defi nitieve einde. In ‘Do’s en don’ts op de dag dat ik de pijp uitga’ wordt een en ander in een bredere mythische context geplaatst van de overtocht van de Styx waarvoor betaald dient te worden. Die verruiming van de sterk op het eigen ik gerichte verzen had ik graag op meer plaatsen gezien. Wie omkijkt wordt gezien biedt al bij al weinig verrassends.

Dit artikel is enkel voor abonnees

Om verder te lezen op poeziekrant.be: