Als vijftienjarige las ik voor het eerst een gedicht, eentje van de dertiende-eeuwse dichteres en mystica Hadewijch. Die avond verklaarde ik dat ik dichter was en kreeg ik van mijn fronsende vader een typemachine. Niet veel later kreeg ik een elektronische typemachine (met zo’n bol die razendsnel wentelend letters knalde in het papier). Ik sneed A4-papier in twee helften en begon te tikken. Blad na blad, gedicht na gedicht, gedrocht na gedrocht. Jaren later zei mijn moeder dat ik mijn brol een keer mocht meenemen en zag ik vier grote kartonnen dozen staan vol gedichtachtigen. Ik las er enkele van en bracht ze naar het containerpark, schichtig, vurig hopend dat niemand er eentje zou lezen.
Dit artikel is enkel voor abonnees
Om verder te lezen op poeziekrant.be:
- meld je aan als abonnee
- of neem een abonnement
- of koop dit artikel voor €3