Randschade is de tweede bundel van beeldend kunstenaar Johan Clarysse (1957). Van Dale vermeldt randschade alleen in een opsomming van samenstellingen. Veel kan schade oplopen en dat is jammer want we blijven graag intact. Maar wat is dan precies die ‘rand’? Randschade, ook wel collateral damage genoemd, aldus Wikipedia, is onbedoelde schade toegebracht tijdens een (militaire) aanval.

Het is dan ook niet toevallig dat in de eerste afdeling ‘Lijfspraak’ oorlogstermen prominent aanwezig zijn: ‘incisie- en spierpijn bekampen elkaar’, tumoren worden omsingeld, metastasen worden in een hinderlaag gelokt en de ‘ik’ voert onderhandelingen voor ‘een eerbaar staakt-het-vuren’. Het lichaam werd overgenomen door tubes, dokters, verplegers, chirurgen, statistieken. Lijfspraak? Bij Clarysse is het zieke lijf een dictator waarmee niet te praten valt. Gelukkig komt iemand de ziekenhuiskamer binnen, geen routineuze verpleegster die ‘zich verslikt in haar haast’, geen chirurg op ‘zijn obligate ronde’, niet iemand die wilskracht aanprijst ‘als wapen’ maar een ‘jij’ die ‘zuurstof pompt in de zieke lucht’, die het gevecht uit zijn handen neemt, die een baken is.
Een baken is een paal in woelig water en zo heet de tweede afdeling. Als de schade is geleden, moet je je opnieuw definiëren want je bent van de kern plots naar de rand verbannen, naar de buitenbaan van het leven. Je zoekt een nieuwe plaats want je wil niet slechts randschade zijn. Vandaar de vele vragen in deze afdeling. Wat nu? Wat nu met mij? Wat nu met ons? Vandaar dat de geliefden ‘als vraagtekens’ in bed liggen (‘Baken’). Het antwoord op de vragen luidt: ‘Zij verstopt zich in mijn vel. / Vingers vinden zich een weg / voorbij de taal’ (‘Paradox’). De geliefde slaagt erin om zonder woorden stormen te bedaren. Zij kan van een olifant weer een mug maken en van ‘je ego een garnaal’ (‘Bray Dunes’).
Niettemin heet de derde afdeling ‘Doodgewoon’, want de dood staat ‘als een oude vriend’ gewoon in de kamer, onmogelijk te negeren (‘Badkamerspiegel’). Leeft de ‘ik’ nog of is hij al ‘nabestaand’ ‘tussen boeken, verf en verzen’? Leeft hij voorbij zijn houdbaarheidsdatum of staat hij al aan de overkant?
Niettegenstaande dat gaat het leven in de vierde afdeling verder met geruststellende rituelen, in afwachting van. De ochtend klimt weer tussen de lakens (‘Credo’), de krant ligt als ‘een waakhond / die het blaffen is verleerd’ op de mat (‘Staatsgreep’), en er zijn nog altijd mensen die naar teleonthaal bellen met nijpende problemen, bijvoorbeeld met ‘kilo’s huwelijk’ die ‘als keien rond je nek’ hangen. (‘Anoniem’)
In de laatste afdeling zie je hoe de schilder die schuilgaat achter het masker van de schrijver, zijn hele kleurenpalet gebruikt om luchten, zeezichten, landschappen en skylines op te roepen. Je voelt dat de dichter zich weer de dagelijksheid in schrijft, weer verder van de afgrond gaat staan, aan ‘de demon’ in zijn darmen vraagt om ‘een octaaf lager te zingen’ (‘Bekentenis’). In ‘Nomadisch’, het allerlaatste gedicht, droomt een ‘jij’
over een tweede heelal
waar alles eindeloos begint
en waar nomadische zielen
naar buitenaardse woorden zoeken.
Bestaat er voor een dichter een mooiere herkansing? ‘Je bereidt je voor.’ zo eindigt dat gedicht. De aanvaarding die daaruit spreekt, staat in schril contrast met de eerste wanhopige woorden van de bundel: ‘Er groeien tubes in mijn holtes. / De QR-code rond mijn pols weet niet wie ik ben.’
Deze bundel is met het mes op de keel geschreven. De lezer voelt nog maar aan het lemmet of krijgt al koude rillingen. Het mes heeft de dichter kundig geslepen. Randschade is geen collateral damage. Het is een bundel die gaaf en onbeduimeld staat te blinken, nog ruikend naar de inkt.