De rivier symboliseert het verglijden van de tijd, maar doordat zij duizenden jaren door dezelfde bedding stroomt belichaamt zij ook een eeuwige stabiliteit. Dat deze paradoxale gemeenplaats haar kracht nooit zal verliezen begrijpt iedereen die in de buurt van grote rivieren woont. In de debuutbundel van Joep Stapel is de Waal bij Nijmegen een belangrijke bron van inspiratie.

Op het omslag van Dit komt ergens anders vandaan is een rivierbedding afgebeeld, en meteen al in het eerste gedicht, met de programmatische titel ‘Belangeloze poëzie’, spreekt de dichter de avondlucht boven de Waal aan, ‘zoals je gezien bent door onderdanen // van keizer Karel en keizer Trajanus en / baardige stamhoofden zonder naam’. Waar de rivier heen gaat is evident, maar waar komt ze vandaan? Heeft ze een bron? Heeft het stromen een doel, of is het er domweg? Stapel suggereert dat de herkomst van poëzie vergelijkbaar is met de lucht boven het water – strikt genomen onzichtbaar, maar onmiskenbaar aanwezig, als biotoop van zwaluwen en muggen, en als adem die het lichaam ertoe in staat stelt van het uitzicht te genieten. Poëzie is belangeloos, maar uiteraard niet zonder belang.
Stapel schrijft artikelen over klassieke muziek voor NRC en publiceerde twee romans. Zijn eerste dichtbundel bewijst dat hij ook een dichter van formaat kan worden, maar in dat ambacht heeft hij zijn weg misschien nog niet helemaal gevonden. De bundel is rijkgeschakeerd, zowel in vorm als in inhoud, maar ook een beetje onevenwichtig. Sommige gedichten blijven steken op het niveau van niet meer dan een aardige vondst. Gelukkig staat daar veel tegenover.
In nogal wat gedichten figureert de dijk als grenslocatie, als buffer tegen het water, als plek die uitzicht biedt op twee noodgedwongen van elkaar gescheiden werelden en, mits het niet te mistig is, op een overzijde. In ‘Gezien’ vormt de dijk zelfs het toneel voor een heuse epifanie: ‘Vanavond is God verschenen boven de rivier, / in de kier van een wolk’. De ik komt aanlopen over de dijk en begrijpt meteen dat hij gezien is en dat God zich daar ongemakkelijk bij voelt. ‘Ik had met hem te doen’, zegt hij, maar meer nog ‘speet het me dat ik niet volstond’.
Elders in de bundel verzucht de dichter:
ik ken de regels niet, ik
opereer op puur instinct
Hij is als de sjamaan ‘die liever niet zo genoemd wordt’, die in een lang gedicht een halfslachtige poging doet met het Andere in contact te komen, terwijl de wereld hopeloos onttoverd lijkt te zijn. Hij beseft dat de stemmen die hij hoort waarschijnlijk gewoon ingebeeld zijn, maar dat ontslaat hem niet van de plicht zijn best te blijven doen. Ook de dichter moet zijn ‘onbezonnen lied’ blijven zingen.
Stapel is het sterkst op dreef wanneer hij de teugels laat vieren en de ruimte neemt om beelden en gedachten aan elkaar te rijgen. Het lange gedicht ‘meeplaybacken met De Heemraad’ geeft toe dat het soms moeilijk is ‘om tot de kern te komen’, maar omdat ‘er geen alternatief bestaat voor ritme’ laat het zich vijf pagina’s lang voortstuwen tot een swingende machine die de hele kosmos omvat, inclusief ‘de voltallige demissionaire ministerraad’. Erg mooi is ook een fragmentarisch prozagedicht waarin de zelfdoding van Walter Benjamin centraal staat. Ik zie uit naar een volgende bundel.
